Veel ministers, geen klimaatakkoord

Photo: Jean-Yves Leblon

Momenteel vindt in Parijs een grote klimaattop plaats. Politici van over de hele wereld proberen daar een klimaatakkoord te sluiten dat de opwarming van onze planeet onder de 2°C en liefst 1,5° moet houden. Binnen dit akkoord  moet elk land de komende jaren een ambitieus
klimaatbeleid voeren. Maar hoe is het eigenlijk gesteld met ons Belgisch klimaatbeleid?

Meer weten over de COP in Parijs? Volg ons laatste nieuws

In België hebben we niet minder dan vier klimaatministers, maar toch – of misschien net daarom – hebben we nog altijd geen nationaal klimaatbeleid. Na zes jaar onderhandelen tussen de gewesten en het federale niveau, wachten we namelijk nog steeds op een Belgisch akkoord dat bepaalt wie welk aandeel in de klimaatinspanning voor 2020 moet leveren. Onvoorstelbaar maar waar.

Geloven zij wel in klimaatverandering?

Al in 2009 werd het eerste Europese actieplan voor klimaat en energie goedgekeurd, met drie doelstellingen tegen 2020. Voor België zijn die ten eerste 15% minder broeikasgassen uitstoten dan in 1990, ten tweede 13% van onze energie uit hernieuwbare bronnen halen, en tot slot 20% minder energie verbruiken. Zes jaar geleden was dit plan behoorlijk vooruitstrevend, maar het was lang niet voldoende om een eerlijke Europese bijdrage aan de strijd tegen klimaatverandering te leveren.

Intussen werd al een nieuw Europees plan goedgekeurd met 2030 als horizon, maar terwijl ik dit schrijf, struikelen onze vier ministers nog altijd over een Belgische aanpak tegen 2020. Allemaal beweren ze hun uiterste best te doen, maar van een akkoord is nog geen sprake. “Ik geloof niet echt in klimaatverandering” was dan ook de boodschap van enkele acties waarmee Greenpeace de ministers wilde uitdagen om eindelijk werk te maken van een Belgisch klimaatakkoord.

Klimaatactie wordt nog te veel gezien als een last in plaats van als een kans

Geen overkoepelende visie

Nu staan onze ministers voor een stevige opdracht: ze moeten niet alleen de inspanningen om de 2020 doelstellingen te halen tussen de regio’s verdelen, maar ook de inkomsten uit de handel in uitstootrechten. Maar na zes jaar staan ze nog geen stap verder. Het probleem is dat klimaatactie nog te veel gezien wordt als een last in plaats van als een kans. Investeren in hernieuwbare energie en energiebesparing biedt immers enorme voordelen – en andere landen zien dit veel beter in.

Zonder nationaal klimaatakkoord kijken de ministers de kat uit de boom en zetten ze zelfs stappen terug. Dit voorjaar schroefde Wallonië haar ambities voor hernieuwbare energie tegen 2020 terug. Niet veel later kondigde federaal minister Marghem aan dat ze in Parijs volop voor kernenergie zal pleiten als klimaatoplossing. Haar plan voor een nationaal pact voor een duurzame energietoekomst lijkt ze dan weer in de koelkast te hebben gezet. De Vlaamse regering ten slotte verkiest ‘schone lucht’ in het buitenland aan te kopen in plaats van de uitstoot hier voldoende te doen dalen. En zo doet iedere regio een beetje zijn zin, zonder overkoepelende visie.

Mensen zijn impasse beu

Als gevolg van deze politieke onwil daalt onze uitstoot veel te traag. Ons land werd al door Europa op de vingers getikt omdat we de al met al zwakke Europese doelstellingen voor 2020 dreigen te missen. De wetenschap is nochtans duidelijk: tegen 2050 moeten we als geïndustrialiseerd land maar liefst 80-95% minder CO2 uitstoten. Door het probleem voor ons uit te blijven schuiven, wordt de kost voor het behalen van die doelstelling steeds groter.

Meer en meer mensen zijn deze impasse beu: 7 op 10 Belgen vindt dat ons land faalt in de aanpak van de klimaatverandering en bijna 9 op 10 pleit voor meer overheidssteun aan initiatieven voor hernieuwbare energie. Bijna 9.000 burgers daagden de vier Belgische overheden eerder dit jaar zelfs voor de rechter omdat z er niet in slagen een ambitieus klimaatbeleid op poten te zetten. Het wordt dus tijd dat onze ministers hun oogkleppen afzetten en werk maken van een geloofwaardig Belgisch klimaatbeleid

 

 

Anders en beter: Costa Rica en Duitsland

Er zijn landen die tonen dat het anders – en beter – kan dan in België. Ze kenmerken zich vooral door ambitieuze doelstellingen en een langetermijnvisie, twee zaken waaraan het onze regeringen ontbreekt. We lichten er twee uit.

Costa Rica

Dit Latijns-Amerikaanse land slaagde er eerder dit jaar als eerste in om bijna 100 dagen lang al zijn elektriciteit uit hernieuwbare bronnen te halen. Dankzij een intelligent gebruik van haar groot potentieel aan niet-fossiele bronnen zoals waterkracht, wind en geothermie, draait Costa Rica gemiddeld op 98% hernieuwbare stroom.

Ook landeigenaars leverden de voorbije decennia een belangrijke bijdrage aan de strijd tegen de uitstoot van broeikasgassen, door grote delen van hun land bebost te laten. Hiervoor ontvangen ze een compensatie die voornamelijk betaald wordt met inkomsten uit fossiele brandstoftaksen.

Tegen 2021 wil Costa Rica als eerste land ter wereld volledig klimaatneutraal zijn. Dat betekent dat de bossen minstens evenveel uitstoot terug opnemen als er in heel het land wordt uitgestoten. Zover zijn we echter nog niet: het land zal hiervoor internationale klimaatfinanciering nodig hebben. Een reden te meer dus voor grote historische vervuilers als België om de beloften over klimaatsteun aan het Zuiden na te komen.


 

 

 

Duitsland

In Duitsland wordt sinds 2007 werk gemaakt van een klimaatbeleid voor de langere termijn, met ambitieuze doelstellingen: 40% minder uitstoot tegen 2020, 55% tegen 2030 en 80-95 tegen 2050. Daarnaast wil het tegen 2020 een vijfde minde energie verbruiken.

Sindsdien hebben opeenvolgende regeringen dit beleid ook consequent doorgevoerd. Zo werden vorig jaar, toen bleek dat de doelen voor 2020 nog niet binnen bereik waren, juist bijkomend maatregelen voorgesteld, in plaats van de doelstellingen a te zwakken. Na de kernramp in Fukushima in 2011 werd bovendien gekozen voor een versnelde kernuitstap tegen 2022.

Intussen haalt Duitsland meer dan een kwart van zijn elektriciteit uit hernieuwbare energie, waarvan bijna de helft in handen is van burgers en kleine coöperatieven. Het succes van de Energiewende toont aan dat een betrouwbaar beleid burgers en bedrijven kan overtuigen om mee te bouwen aan een hernieuwbare energietoekomst.