Vandaag, 11 maart 2015, is het precies vier jaar geleden dat een van de ergste kernrampen ter wereld uitbarstte: het smelten van drie reactorkernen en het rampzalige falen van de reactorgebouwen in de kerncentrale van Fukushima Daiichi. Die nucleaire crisis is jammer genoeg nog altijd niet voorbij.

De wijd verspreide milieuvervuiling is voor het grootste deel nog aanwezig. De opruimacties schieten zwaar te kort en halen geenszins de doelstellingen van de regering. Elke dag stroomt er nog massaal radioactief water vanuit de reactorsite in de oceaan. De exacte plaats van de gesmolten reactorkernen in de eenheden 1, 2 en 3 is nog altijd niet bekend – en dat probleem vergt elke dag enorme hoeveelheden koelwater om het risico te beperken dat opnieuw een grote hoeveelheid straling vrijkomt.

 Ondanks die aanhoudende problemen en het feit dat veel van de meer dan 120.000 nucleaire vluchtelingen na vier jaar nog altijd in moeilijke omstandigheden leven op de plaats waarnaar ze zijn geëvacueerd, dringt de Japanse regering van premier Abe er toch op aan om het stilgelegde nucleaire park van het land weer op te starten.

 Premier Abe heeft kernenergie aangeprezen als een noodzakelijk deel van de energiemix die het land nodig heeft om zijn klimaatverbintenissen te halen. Maar in werkelijkheid is het heel onwaarschijnlijk dat Japan ooit het doel van 15 à 20% elektriciteit uit kernenergie zal bereiken, dat onlangs is gelanceerd door een speciale taakgroep van het ministerie van Economie, Handel en Leefmilieu.

Protest tegen het opnieuw opstarten van de kerncentrales voor het gebouw van de Japanse nucleaire regulator.

 

Als Japan vertrouwt op kernenergie om te voldoen aan zijn klimaatverplichtingen, zet het eigenlijk de toekomst van de planeet en van de toekomstige generaties op het spel voor de illusie van een politicus.

En hoe ‘veilig’ en ‘milieuvriendelijk’ is deze energiebron eigenlijk? Als we de voorstanders mogen geloven, is kernenergie heel veilig – want volgens hen komt een rampzalig ongeval maar één keer om de 250 jaar voor.

Maar je hoeft geen kernwetenschapper te zijn om vast te stellen dat we wel al wat meer grote ongevallen hebben gehad in de zeventig jaar dat er nucleaire programma’s bestaan, zoals de ramp in de kerncentrale van Fukushima Daiichi – waarbij de reactorkern van 3 reactoren op de site smolt – de rampzalige kernsmelting in Tsjernobyl en de gedeeltelijke kernsmelting in de kerncentrales van Three Mile Island en Fermi 1 in de VS.

Een logisch denkend mens die deze gebeurtenissen en ook de staat van dienst van de sector bekijkt, zou ofwel zijn mening ofwel zijn manier van voorspellen herzien. Waarschijnlijk zijn beide aangewezen.

Jammer genoeg zijn de sector en veel regulatoren blijven hameren op de veiligheid – en tegelijk hebben ze de veiligheidsnormen voor reactoren afgezwakt, zodat verouderende reactoren daaraan kunnen voldoen. Door de verouderende nucleaire installaties in veel delen van de wereld nemen de veiligheidsrisico’s bovendien toe, omdat de componenten aangetast raken door de tijd en slijtage.

Wanneer we het over ‘veiligheid’ in de context van kernenergie hebben, moeten we ook ruimer kijken dan enkel het risico van rampzalige ongevallen in operationele kernreactoren, en ook rekening houden met de grote risico’s voor het milieu en de openbare veiligheid die de volledige nucleaire cyclus met zich meebrengt. Het gaat dan onder meer om de ontginning van uranium; het verwerken van uranium om er kernbrandstof van te maken (walsen, conversie, verrijken en produceren --  bij elke stap worden fossiele brandstoffen gebruikt en radioactief afval geproduceerd); de radioactieve uitstoot tijdens de werking – zowel routinematig als per ongeluk; en het steeds groter wordende probleem van het kernafval.

Na meer dan zeven decennia van nucleaire technologie is er nergens ter wereld al een oplossing gevonden voor de opgebruikte splijtstof. Enkele landen, zoals het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Rusland, maken het probleem van het radioactieve afval nog groter door de gebruikte kernbrandstof ‘op te werken – een chemisch proces waarbij plutonium wordt gescheiden van hoogradioactief afval, waarbij niet enkel enorme hoeveelheden radioactief gas en vloeistof vrijkomt, maar ook het risico op de verspreiding van kernbommen toeneemt.

Er zijn ook aanwijzingen dat kernreactoren, zelfs wanneer er geen grote ramp optreedt, gevaarlijk kunnen zijn voor de menselijke gezondheid – vooral dan voor kinderen.

 

Een Japans kind schrijft op een poster tijdens de herdenking "Vrede op aarde" voor de derde verjaardag van de grote aardbeving in Oost-Japan, de tsunami en de kernramp in Fukushima.

 

Het positieve is dat we deze smerige, gevaarlijke en verouderde technologie niet hoeven te aanvaarden – niet om het licht te laten branden noch om te voldoen aan de doelstellingen voor de vermindering van de CO2-uitstoot.

Dit is wellicht nergens duidelijker dan in Japan. Bij de vierde verjaardag van de ramp in Fukushima Daiichi heeft het land intussen bijna anderhalf jaar gedraaid zonder één enkele werkende kernreactor – en zonder één enkele blackout of brownout.

En terwijl de opeenvolgende Japanse regeringen hebben nagelaten een degelijk beleid uit te stippelen dat volledig de kaart trekt van maatregelen voor meer hernieuwbare energie en energie-efficiëntie die nodig zijn om te voldoen aan de wereldwijde uitdaging om de impact van de klimaatverandering te matigen, nemen lokale overheden zelf het voortouw in het leiderschapsvacuüm dat de nationale regering heeft laten ontstaan.

Zo verklaarde de stad Fukushima in december 2012 dat zijn eerste doel om de door de ramp verwoeste prefectuur nieuw leven in te blazen erin bestond “een veilige, zekere en duurzame samenleving zonder kernenergie op te bouwen.” In 2014 ging het bestuur van de prefectuur op hetzelfde spoor door met de verbintenis om tegen 2040 te streven naar 100% hernieuwbare energie.

Het bestuur van de metropool Groot Tokio maakte onlangs het recordcijfer van 23% CO2-vermindering bekend in het vierde jaar dat het probeert zijn uitstoot onder een bepaald plafond te houden – die vermindering is grotendeels te danken aan maatregelen voor energie-efficiëntie die van start gingen als gevolg van de kernramp in Fukushima.

Deze belangrijke stappen staan in schril contrast met die van de regering van premier Abe, die blijft aandringen op kernenergie – en tegelijk werkt aan mechanismen om de ontwikkeling van hernieuwbare energie te ondermijnen. Abe woont in een ‘nucleair dorp’, samen met de bureaucraten van het ministerie van Industrie en de kernenergiebedrijven, en zij houden niet van een milieuvriendelijke energietoekomst. Zij weten dat de kosten voor hernieuwbare energie – vooral zonne-energie op basis van fotovoltaïsche cellen – zullen blijven dalen en dat het marktaandeel ervan over de hele aarde verder zal aangroeien. Net door die snel dalende kosten, de korte constructietijd en de massale besparing aan koolstofuitstoot dankzij de moderne hernieuwbare energiebronnen, raken de oudere, gevaarlijke en vuile technologieën, zoals kernenergie, steeds meer achterhaald.

De verantwoordelijken voor de kernramp van Fukushima Daiichi weten dat er voor hun kerncentrales geen plaats is in een modern Japan. Ze strijden daarom zo hard ze kunnen om de doorbraak van groene energie te verhinderen en hun belangen in milieuonvriendelijke energie te versterken.

Maar voor de bevolking van Japan, van wie de meerderheid tegen het opnieuw opstarten van de kerncentrales is, liggen er enorme kansen voor een echt veilige en milieuvriendelijke toekomst. Wij bij Greenpeace willen aan hun zijde staan – tegen de aanvallen vanuit het nucleaire dorp – om ervoor te zorgen dat een milieuvriendelijke, hernieuwbare energietoekomst een realiteit kan worden.

- Kendra Ulrich, Verantwoordelijke Internationale Energiecampagne bij Greenpeace Japan

 

Meer weten? Lees onze briefings:
Japan’s nuclear crisis en Fukushima Impact