Commissie D´Haeseleer selectief blind voor kosten kernenergie

Persbericht - 17 november, 2006
Door de kostprijs van het openhouden van de kerncentrales systematisch te onderschatten, komt de Commissie D´Haeseleer tot de conclusie dat de wet op de kernuitstap moet worden herzien om de elektriciteitsprijs binnen de perken te houden. Daarvoor is de commissie wel bijzonder creatief te werk gegaan met de werkelijkheid. Eerst en vooral heeft de Commissie D´Haeseleer één van de belangrijkste kosten van kernenergie - het ontmantelen van de kerncentrales - tot na 2030 voor zich uit geschoven.

Daarnaast voorziet de Commissie D´Haeseleer dat er haast geeninvesteringen meer moeten gebeuren in het onderhoud van de bestaandekerncentrales.  

Die handigheid is niet alleen misleidend, maar ookbijzonder   verontrustend (1). De huidige centrales zijnvorige eeuw gebouwd om  30 jaar mee te gaan. Daar, zonderbijkomende investeringen, nog eens  30 jaar bovenop doen, istotaal onverantwoord. Ook `vergeet´ de Commissie D´Haeseleer deprijsstijgingen van uranium in beschouwing te nemen. Nochtans betekenteen verdubbeling van de prijs van uranium  een verhoging van de elektriciteitsprijs met 10%, zo stelt de OESO.  

Van 2000 tot 2006 is de prijs van uranium verachtvoudigd. Ten slottevoorziet de Commissie D´Haeseleer de bouw van een nieuwe kerncentrale.Los van het feit waar die centrale zou moeten komen, schat de CommissieD´Haeseleer de kostprijs ervan op 3 miljard euro.  

Dat is, volgens recente internationale projecten, een zware onderschatting. De reactor in aanbouw in Finland zal minstens 5,2miljard euro kosten, meer dan de helft meer dan de Commissie nuinschat. Een andere boekhouderstruc van de Commissie D´Haeseleer is destelselmatige overschatting van de kosten van hernieuwbare energie, eneen onderschatting van de potentiële capaciteit ervan. De commissiedrukt terecht op de prioriteit voor energiebesparing, maar  schatde mogelijkheden ervan consequent te laag in.

De Commissie D´Haeseleer motiveert haar bestaansreden omdat deomstandigheden sinds het goedkeuren van de wet op de kernuitstapin  2003 sterk gewijzigd zouden zijn. Die zouden vooral liggen inde klimaatverandering en de hoge energieprijzen (2). Nieuw zijn dieomstandigheden allerminst.

Bovendien is het vreemd dat de Commissie D´Haeseleer niets zegt over denieuwe investeringen in niet-nucleaire elektriciteitscentrales. Sindsde stemming van de wet op de kernuitstap, kondigde de ene na de andereinvesteerder nieuwe energiecentrales aan, in die mate dat vandaag decapaciteit van de opgestarte en aangekondigde projecten al ruimschoots volstaat om de oudste drie nucleaire reactoren te sluiten(3). Ook vanuit het standpunt van leveringszekerheid is er dus geenreden om de wet op de kernuitstap terug te schroeven.

De milieubeweging wil dat het debat over de toekomstigeenergievoorziening in België gebaseerd wordt op rationeleargumenten.  De studie van commissie D'Haeseleer, die blijk geeftvan haar vooringenomenheid door de beperkte bewegingsvrijheid die zeaan het Planbureau gaf, is daar geen goede basis voor. Dat blijkttrouwens ook uit de afwijkende conclusies in andere studies, zoals destudie die op vraag van federaal minister voor Leefmilieu Tobback eveneens door het Planbureau werd uitgevoerd of het energiescenariovoor België dat gepubliceerd werd door het Duitse Instituut voorRuimteluchtvaart op vraag van Greenpeace.