Verdacht hout uit het Congolese regenwoud aangetroffen in Antwerpen

Greenpeace vraagt dat gerechtsdeurwaarder inbreuken vaststelt

Persbericht - 17 februari, 2010
Een tiental actievoerders van Greenpeace heeft post gevat bij wengéhout uit de Congolese Evenaarsprovincie, dat opgeslagen ligt in Antwerpen. Dit hout is afkomstig uit roofbouw en bewijst dat de houtindustrie profiteert van een gebrek aan overheidscontrole, terwijl de lokale bevolking bijna niets wint bij deze lucratieve handel. Meer dan ooit moet het moratorium op de houtkap in Congo worden volgehouden.

Wengé is een donkere en gevlamde houtsoort die wordt gebruikt bij binnenschrijnwerkerij (zoals parketten en trappen), inlegwerk en het maken van meubels. De in Antwerpen gestockeerde boomstammen werden gekapt door het bedrijf ITB in het gebied rond het Tumbameer, dat bekendstaat om zijn biodiversiteit. Bij de recente herziening van de wettelijkheid van de kapvergunningen, die er kwam op vraag van de Wereldbank, werden de vergunningen van dit houtbedrijf ongeldig verklaard voor de ontginning van twee gebieden in de Evenaarsprovincie.

Nadat een gerechtsdeurwaarder de aanwezigheid van dit hout officieel heeft vastgesteld, zal het dossier naar de Belgische milieupolitie gaan. "De zaak die we aan de bevoegde Belgische autoriteiten overmaken, toont aan op welke manier de exploitatie van hout gebeurt in de DR Congo. De problemen met de overheid maken dat houtbedrijven bijna volledig hun gang kunnen gaan", meldt An Lambrechts, verantwoordelijke voor de bossencampagne van Greenpeace, vanuit Antwerpen. "De Congolese regering voerde een herziening van bostitels door, bedoeld om de houtsector te saneren, maar zichtbare resultaten blijven uit."

De partij wengéhout in Antwerpen bedraagt 50 kubieke meter en heeft een marktwaarde van ongeveer 45.000 euro. Volgens informatie van Greenpeace hebben de lokale bewoners nauwelijks baat bij de houtkap. Vaak krijgen zij slechts enkele dollars voor de bomen die ITB gekapt heeft op hun grondgebied.

"De huidige bosontginning brengt nauwelijks ontwikkeling voor de lokale bevolking. Niet alleen ziet ze haar kostbare houtsoorten als wengé, sapeli en afrormosia geroofd, de houtkap heeft ook de verwoesting van hun velden tot gevolg en leidt tot sociale conflicten."

Om hieraan te verhelpen vraagt Greenpeace aan de Congolese autoriteiten om het moratorium op de uitreiking van nieuwe vergunningen te handhaven en de resultaten van de herziening van de bostitels te bevestigen door daadwerkelijk de kapvergunningen te schrappen die bij deze recente herziening niet werden omgezet. Een landbestemmingsplan, dat opgesteld wordt in samenspraak met de lokale gemeenschappen, vormt een essentiële voorwaarde om dit moratorium op te heffen.

Het dossier dat Greenpeace aan het licht brengt, illustreert ook treffend het gebrek aan een Europese wetgeving op het vlak van houtimport. De EU biedt haar lidstaten geen wettelijk instrument om te verhinderen dat illegaal gekapt hout hun grondgebied bereikt. Daardoor moeten de Belgische autoriteiten de nodige creativiteit aan de dag leggen in hun strijd tegen de verwoesting van de Congolese bossen, die deel uitmaken van het grootste regenwoud na het Amazonegebied. In de DR Congo zijn zo'n 40 miljoen mensen in hun dagelijks bestaan afhankelijk van de bossen, die een uitzonderlijke biodiversiteit herbergen en voor een groot deel instaan voor het kwetsbare klimaatevenwicht op aarde.  

Zie ook: http://www.greenpeace.org/belgium/fr/press/reports/congo

Onderwerpen