Skip navigation.

De Democratische Republiek Congo (DRC) telt ongeveer 145 miljoen hectare bos (dat is meer dan 60% van het nationale grondgebied). 86 miljoen hectare daarvan bestaat uit regenwoud (bijna 40% van het nationale grondgebied). Bijna 60 miljoen hectare regenwoud is beschikt voor industriële houtkap gezien er veel economisch interessante boomsoorten voorkomen.

Tussen 2000 en 2005 heeft het land elk jaar meer dan 300.000 hectare woud verloren. Daarmee staat de DRC achtste op de lijst van landen ter wereld die de grootste oppervlakte bos per jaar verliezen. In vergelijking met andere landen in de tropen ligt het ontbossingscijfer nog vrij laag, maar de statistieken tonen niet de verschillen die er zijn tussen de diverse streken van het land. In de DRC gebeurt de houtkap op selectieve wijze, wat wil zeggen dat enkel « de beste boomsoorten worden meegenomen en de rest wordt achtergelaten ». De industriële ontginning van de Congolese wouden is toegespitst op een twaalftal houtsoorten met een grote commerciële waarde. Samen zijn die goed voor ongeveer 90% van de productie: afromosia, wengé, limba, padouk, tola, iroko, sipo, sapelli, tiama, bosse, acajou en dibetou. Om deze houtsoorten te oogsten, worden grote stukken woud opengekapt en door de aanleg van een netwerk van wegen voor de machines die de stammen moeten wegslepen, kunnen ook stropers gemakkelijker in het woud binnendringen

Verscheidene boomsoorten zijn al op zo een grote schaal gekapt dat zij inmiddels als bedreigd worden beschouwd door de Conventie over de internationale handel in met uitsterven bedreigde wilde planten- en diersoorten (CITES). Op termijn zouden zij zelfs helemaal kunnen verdwijnen. Dat geldt onder andere voor de afromosia, de wengé en de sapelli. En dat allemaal om te voldoen aan onze behoeften aan parket, ramen, deuren, trappen en meubelen, ...

Een twaalftal exploitanten bezit meer dan de helft van alle houtkapvergunningen, goed voor een oppervlakte van ongeveer tien miljoen hectare. Het gaat om Congolese, Belgische, Franse, Duitse, Italiaanse, Portugese en Libanese houtondernemingen. Aziatische bedrijven zijn hier nog niet aanwezig, met uitzondering van Olam, dat zich steeds meer laat gelden in de Congolese wouden.

Door de grote afstand van de zee, het gebrek aan infrastructuur (havens, wegen) en de politieke instabiliteit is het woud in de DRC tot nu toe vrij goed gespaard gebleven van de dreiging van de industriële houtkap. Maar hoe lang zal dat nog duren? Greenpeace vreest dat er veel meer hout zal worden gekapt wanneer de projecten voor het herstel van de infrastructuur eenmaal voltooid zullen zijn en dat de impact op de wouden dan veel groter zal worden.