Skip navigation.

Volgens de nieuwe Congolese boswetgeving die in 2002 is goedgekeurd, moeten de houtkapbedrijven belastingen betalen die in theorie moeten worden herverdeeld op plaatselijk niveau (25% voor de provincies en 15% voor de districten). Uit onderzoek van Greenpeace is gebleken dat de plaatselijke besturen tot nu toe geen geld van deze taksen hebben ontvangen, hoewel de houtkapbedrijven beweren dat ze die al jaren betalen. De plaatselijke overheid weet niet hoeveel geld er verschuldigd is en de bevolking is niet eens op de hoogte dat zij recht heeft op een deel van wat de houtkap oplevert.

De boswetgeving bepaalt eveneens dat er bij ontginning een contract – een “cahier de charge” - moet worden opgesteld, dat ook de aanleg van infrastructuur ten gunste van de plaatselijke gemeenschap voorziet (bouw en aanleg van wegen, herstel en uitrusting van ziekenhuizen en scholen, voorzieningen op het vlak van het vervoer van personen en goederen, ...). Maar bij gebrek aan overheidscontrole heeft de procedure vaak veel weg van een klucht, omdat de compensatie alleen ten goede komt van de plaatselijke notabelen. De investeringen van de houtkapbedrijven zijn altijd onbetekenend klein in vergelijking met de economische waarde van het hout dat zij ontginnen. Bovendien vallen de schaarse voordelen die de bosontginning oplevert, in elk geval weg wanneer de exploitatie wordt stopgezet.

De levens- en arbeidsomstandigheden op de bosexploitaties en in de omgeving ervan zijn erbarmelijk. Er komen allerlei sociale conflicten en spanningen tot uitbarsting. De houtkapbedrijven kunnen gemakkelijk gebruik maken van intimidatie. Er zou ook sprake zijn van informele banden tussen vertegenwoordigers van de overheid en de exploitanten.

We kunnen alleen maar vaststellen dat de houtkapsector helemaal niet heeft bijgedragen tot de vermindering van de armoede. De kostbare houtsoorten worden afgevoerd en de omwonende bevolking blijft nog armer achter.