Bij vloeren onderscheiden we vloeren op volle grond en vloeren boven een kelder of kruipkelder.
Bij vloeren op volle grond hebt u bij nieuwbouw de keuze om de isolatie onder of boven de draagvloer plaatsen.
De eerste optie draagt de voorkeur weg. Zo blijft de constructie warm en verhoogt u het warmtebufferend effect van de vloer. Bijkomend voordeel is dat alle water- en verwarmingsleidingen zich binnen het beschermd volume (dus aan de warme kant van de isolatie) bevinden, wat de warmteverliezen van het warm water kan beperken. Bij isolatie onder de draagvloer kan u kiezen voor drukvaste isolatieplaten (meestal kunststof), maar u kan ook gebruik maken van geëxpandeerde kleikorrels. Dit laatste kan interessant zijn wanneer de vloeren toch moeten worden opgehoogd. Om te voldoen aan de wettelijke isolatienormen, moet u wel een minimale dikte van 35 à 40 cm kleikorrels voorzien. Kiest u voor platen, dan volstaat meestal een dikte van 3 à 5 cm. Wilt u een K30-isolatiepeil behalen met uw woning, dan heeft u toch een minimale dikte van 7 tot 12 cm nodig voor vloeren op volle grond.
Plaatst u de isolatie boven de draagvloer, dan hebt u meestal een ruimere materiaalkeuze. Kiest u voor plaatmaterialen, dan kan bijvoorbeeld minerale wol met een hoge druksterkte een alternatief zijn voor kunststof. De leidingen bevinden zich dan meestal wel onder de isolatie, met uitzondering van de eventuele leidingen voor vloerverwarming. Er bestaan ook isolerende mortels die op de draagvloer worden aangebracht, die dan tevens de rol van uitvullingslaag vervullen. De leidingen bevinden zich dan in deze isolatielaag, die echter dikker moet zijn dan bij isolatieplaten, wegens een hogere lambda-waarde.
Na-isolatie van bestaande vloeren op volle grond kan enkel indien nieuwe vloeren geplaatst worden. Afhankelijk van de beschikbare hoogte na het uitgraven van de vloeren, zijn bovengenoemde methodes hier eveneens toepasbaar. Een andere mogelijkheid is het verhogen van het vloerpeil, bijvoorbeeld door het plaatsen van een roostering op de bestaande vloer, waartussen isolatie kan geplaatst worden. Hou er wel rekening mee dat alle deuren en dorpels en eventueel trappen ook aangepast moeten worden.
Vloeren boven een kelder of kruipkelder kunnen een massieve draagstructuur hebben (betonplaat, welfsels), of kunnen bestaan uit een houten roostering.
Bij massieve vloeren kan u, net zoals bij vloeren op volle grond, de isolatie bovenop de draagvloer aanbrengen. U kan echter ook isolatie aanbrengen tegen de onderzijde van de vloer met behulp van speciale ankers.
Bij een houten roostering, kan de isolatie aangebracht worden tussen de balken, bij voorkeur over de volledige hoogte. De meeste isolatiematerialen komen hiervoor in aanmerking, maar onze voorkeur gaat uit naar halfharde platen, die beter aansluiten tegen de houten balken. Ga bij de afwerking aan boven- en onderzijde ook na of de lucht- en winddichtheid voldoende gegarandeerd zijn. Houten planken zijn niet luchtdicht, plaats daarom onder de planken een luchtscherm. Werk ook de onderzijde van de vloer af met bijvoorbeeld gipskartonplaten. Zo sluit u de isolatie op tussen twee luchtdichte lagen, met een beter rendement van uw isolatie tot gevolg.
Het plaatsen van isolatie aan de onderzijde van de vloer leent zich uitstekend voor het na-isoleren van bestaande vloeren. Wanneer de leidingen voor verwarming en water onder het plafond zijn aangebracht, voorzien deze dan meteen ook van buisisolatie.
Op welke manier u ook gaat isoleren, besteedt voldoende aandacht aan de aansluitingen met de wanden, om koudebruggen te voorkomen. Zorg er bij nieuwbouw voor dat er geen onderbreking is tussen de isolatie in de vloer en in de muur. Hiervoor kan u gebruik maken van isolerende bouwblokken (cellenbeton) of cellenglas. Bij het na-isoleren van bestaande vloeren zal het vermijden van koudebruggen echter moeilijker zijn. Bij na-isolatie aan de onderzijde van een (kruip)keldervloer kan u de isolatie langs de wanden naar beneden doortrekken over een hoogte van 50 cm, waardoor de koudebrugwerking zal afnemen.