Skip navigation.
Aardwarmtewisselaar: zie Bodem-Lucht warmtewisselaar


Air conditioning: (Airco) systeem van actieve luchtkoeling, soms ook met bevochtiging, droging of filtering van de lucht.


Aquastaat: regelapparaat dat de watertemperatuur regelt zodat de ingestelde waarde wordt bereikt


Atmosferische ketel: Een verbrandingsketel waarbij de verbrandingslucht uit de woning zelf wordt onttrokken, de verbrandingskamer is niet hermetisch afgesloten van de woonruimte.


Balansventilatie: Een ventilatiesysteem waarbij zowel toevoer van verse lucht als afvoer van vervuilde of vochtige lucht gerealiseerd worden door een ventilator. Op die wijze kunnen beide luchtstromen in balans worden gebracht zodat toevoer en afvoer gelijk zijn, ook wel systeem D genoemd.


Beschermd volume: Het woonvolume dat de werkelijk bewoonde en verwarmde vertrekken omvat, dus meestal zonder garage, kelder, zolder. Isolatie en luchtscherm worden geplaatst in de scheidingswanden tussen het beschermd volume en de rest van de woning of van de buitenomgeving. Berekening op basis van buitenafmetingen.


Bodem-Lucht warmtewisselaar: Buissysteem dat toelaat de ventilatielucht in de winter voor te verwarmen door de warmte in de boden. Bestaat meestal uit een buis van 30 tot 40 meter lang die 1,5 tot 2 meter in de tuin ligt ingegraven. De diameter moet berekend worden en ligt meestal tussen 125 en 200 mm. In de zomer wordt de warme buitenlucht dan weer afgekoeld door de bodem, daarom wordt dit wel eens een ‘grondairco’ genoemd.


Broeikasteffect: . in de atmosfeer nemen bepaalde gassen de infrarode stralen van de zon (het "warme" element van de stralen) op, net als in een serre. Dat is het broeikaseffect. Dit natuurlijk fenomeen zorgt ervoor dat de planeet een gemiddelde temperatuur heeft van 15°C in plaats van -18°C. Het natuurlijk broeikaseffect (wat op zich een positief fenomeen was) wordt sinds de industriële revolutie versterkt door menselijke activiteiten waarbij bijkomende broeikasgassen worden uitgestoten. (bron: www.klimaat.be)


Captatienet (horizontaal): Buizencircuit dat in de tuin wordt ingegraven teneinde de warmte uit de bodem op te nemen (te capteren) Deze warmte op lage temperatuur wordt dan met een warmtepomp op een hoger niveau opgetild om te gebruiken als verwarming in de woning (soms ook voor warm water) Diepte van het captatienet : 60 cm tot 1,5 m.

Cellenbeton: licht bouwmateriaal uit kalk, cement en kwartszand, met relatief goede isolerende eigenschappen ( 0,11 à 0,16 W/mK) waardoor het kan gebruikt worden om koudebruggen weg te werken – niet geschikt als isolatiemateriaal indien het niet in combinatie.wordt gebruikt met andere materialen.

Cellenglas: isolatiemateriaal vervaardigd uit kwartszand (0,042 à 0,048 W/mK) met grote druk- en delaminatieweerstand, wat cellenglas geschikt maakt voor het wegwerken van koudebruggen, voornamelijk ter hoogte van aansluiting van vloeren met opgaande wanden.

Cellulose: Isolatiemateriaal vervaardigd uit vlokken van gerecycleerd papier.


Compartimentering: opdeling van de woning in verschillende ruimten teneinde verschillende temperaturen te kunnen hanteren en de warmste ruimten van de koude af te schermen met minder warme ruimten


Compactheid van een gebouw: Verhouding tussen beschermd volume en de warmteverliesoppervlakte. Hoe compacter een gebouw, hoe minder warmteverliesoppervlakte per volume-inhoud.


Condensatieketel: Een verbrandingsketel op olie of gas die de extra condensatiewarmte uit de rookgassen onttrekt om zo het rendement te verhogen (met 6 tot 10 %).


Convectiewarmte: warmte die zich verspreidt door in beweging gebrachte lucht. Warme lucht is immers lichter dan koude en stijgt – daardoor wordt ze onderaan vervagen door zwaardere koude lucht.


COP: ‘Coefficient of Performance’ de winstfactor van een warmtepomp. De winstfactor is de verhouding tussen de nuttig beschikbare warmte en de toegevoerde elektrische energie. Goede COP’s liggen tussen 4 en 6. Niet te verwarren met SPF, een factor die lager ligt omdat hij ook rekening houdt met seizoensinvloeden, regelverliezen, circulatiepompen,…


Dakvlakramen ramen die in het vlak van een hellend (zadel) dak worden geplaatst. (vb: Velux, Roto, Braas, Fakro,…)


Douchetempel: douche met verschillende sproeiers, geeft een hoger comfortgevoel maar verbruikt zeer veel warm water, tot 5 maal zoveel als een spaardouche.


EAP: Energie-Adviesprocedure. Officiële energieaudit die eigenaars van bestaande eengezinswoningen kunnen laten uitvoeren door erkende energiedeskundigen en die in aanmerking komt voor een belastingvermindering.


Elektronische ontsteking: ontbranding door middel van een elektrische vonk. Let op: elektronische ontsteking betekent niet noodzakelijk: zonder waakvlam. Soms wordt de elektronische ontsteking gebruikt om de waakvlam aan te steken.


E-peil: Energiepeil. Een getal dat diverse elementen in het gebouw (isolatie, ventilatie, ketelrendement, warmwatertoestel,…)beoordeelt op hun invloed op het globale energieverbruik van de woning Wettelijk gezien moet dit cijfer minder bedragen dan 100 vanaf 2006.


Energieprestatieregelgeving: Nieuwe Vlaamse wetgeving die in voege trad vanaf 1 januari 2006 en richtlijnen vastlegt om het energieverbruik en het comfort in woningen te verbeteren. Deze energieprestatieregelgeving omvat onder meer: de K-peil eis K-45, de E-peil eis E-100 en ventilatievoorzieningen voor nieuwe woningen

In het Waalse en Brusselse gewest is deze regelgeving nog niet in voege.



Exfiltratie:(zie ook infiltratie en luchtdichtheid) Het ongewilde binnensijpelen van binnenlucht via kieren en spleten in de woning. De exfiltratie is afhankelijk van de luchtdichtheid van het gebouw, van de wind (sterkte en richting) en van de thermische trek. Exfiltratie verstoort het ventilatiesysteem, zorgt voor extra warmteverliezen en voor transport van vocht tot in de isolatieschil, met risico op inwendige condensatie.


Formaldehyde: giftig product dat vooral gebruikt wordt bij vele verlijmingen van hout (vezel- en spaanplaten) en schadelijk wordt bij hogere concentraties in de woning.


FSC-label: FSC staat voor Forest Stewardship Council, een internationale onafhankelijke non-profitorganisatie die streeft naar een wereldwijd verantwoord bosbeheer. Hout dat het FSC-label draagt is afkomstig is uit verantwoord beheerde bossen. Het label kan op het hout aangebracht zijn, maar dit is niet verplicht. In dat geval moet het minstens op de factuur vermeld staan.


Gebouwschil: geheel van alle wanden die het beschermd volume omhullen


Gesloten ketel: Een verbrandingsketel waarbij de verbrandingslucht niet uit de woning zelf wordt onttrokken maar rechtstreeks van buiten, de verbrandingskamer is hermetisch afgesloten van de woonruimte.

Gesloten gasgevelconvectoren: gasconvectoren die tegen de gevel worden geplaatst zodat aanvoer van verse lucht en afvoer van rookgassen via de gevel kan gebeuren, volledig onafhankelijk van de leefruimte.

Glaswol: Isolatiemateriaal van minerale oorsprong, bestaat voor 70% uit recyclageglas.


Geëxpandeerde kleikorrels: Isolatiemateriaal van minerale oorsprong, vooral gebruikt in vloeren en isolerende betonblokken.


Geëxpandeerd polystyreen (EPS): Kunststof isolatiemateriaal, ook gekend onder de naam piepschuim of isomo.


Geëxtrudeerd polystyreen (XPS): Kunststof isolatiemateriaal.


Groendak: plat of hellend dak waarvan de dakbedekking hoofdzakelijk bestaat uit levende planten, gaande van mossen en vetplanten (extensief groendak) tot struiken en bomen (intensief groendak)


Groene stroom: Elektrische energie die werd opgewekt met duurzame energiebronnen. Elektriciteit van PV panelen, windmolens of waterkracht is groene stroom. Zie ook www.greenpeace.org/groenestroom


Hennepwol: Nagroeibaar en biologisch afbreekbaar isolatiemateriaal.


Houtskeletbouw: manier van woningen bouwen waarbij de draagstructuur uit een houten raamwerk bestaat dat wordt opgevuld met isolatie en afgewerkt wordt met platen. Aan de buitenzijde zijn allerlei afwerkingen mogelijk: gevelsteen, gevelpannen, hout, leien, …


Houtvezelisolatie: Nagroeibaar isolatiemateriaal, met als grondstof resthout (spint en schors). Met stoom wordt het aanwezige hars (lignine) omgezet in bindmiddel, en worden alle voedingsstoffen voor houtaantasters uit het hout verwijderd. Hierdoor dienen geen boraten(kunstmatige beschermingsproducten) te worden toegevoegd.


HR+: Een kwaliteitslabel dat wordt toegekend aan hoogrendements gasketels en dat betrekking heeft op het rendement en op de uitstoot van schadelijke rookgassen.


HR-top: Een kwaliteitslabel dat wordt toegekend aan condenserende gasketels en dat betrekking heeft op het rendement en op de uitstoot van schadelijke rookgassen.


Infiltratie: (zie ook exfiltratie en luchtdichtheid): Het ongewilde binnensijpelen van buitenlucht via kieren en spleten in de woning. De infiltratie is afhankelijk van de luchtdichtheid van het gebouw, van de wind (sterkte en richting) en van de thermische trek. Infiltratie verstoort het ventilatiesysteem en zorgt voor extra tocht.


Inwendige condensatie in een wand: neerslag van vocht binnenin een wand ten gevolge van luchttransport doorheen de wand, daar waar de temperatuur van de wand lager ligt dan het dauwpunt van de lucht die door de wand gaat


Kamerthermostaat: Een instelbare temperatuurregelaar, in de voornaamste kamer opgehangen, die de verwarmingsinstallatie aanstuurt. Is eventueel uitgevoerd als klokthermostaat om op verschillende tijdstippen verschillende temperatuurinstelling toe te laten.


Ketelaquastaat: zie aquastaat


Kooldioxide (CO2): Gas dat het resultaat is van volledige verbranding van koolstof (C, aanwezig in de meeste brandstoffen en zuurstof (O2 – voor 21 % aanwezig in de lucht) Kooldioxide is in licht verhoogde concentraties niet direct schadelijk, maar leidt door de verhoogde concentraties in de atmosfeer tot het gekende Broeikasteffect.


Koolmonoxide (CO): Gas dat het resultaat is van onvolledige verbranding van koolstof (C, aanwezig in de meeste brandstoffen en zuurstof (O2 – voor 21 % aanwezig in de lucht. Dit gas is reukloos, kleurloos, maar zeer giftig en leidt in België elk jaar tot tientallen doden. Meestal een gevolg van slecht werkende open verbrandingstoestellen: onvoldoende luchttoevoer, slecht onderhoud, slecht werkende gesmoorde of verstopte schoorsteen, windstil en niet koud weer.


Koudebrug: Een onderbreking in de isolatieschil in de woning waar het isolatieniveau slechter is dan de omringende isolatie. Voorbeelden zijn: dorpels onder ramen, aansluitingen met terrassen, afwezigheid van isolatie bij de overgang van muur naar dak. Een koudebrug zorgt voor extra warmteverlies en mogelijk vochtproblemen.


K-peil: Een getal dat diverse elementen in het gebouw beoordeelt op hun invloed op het globale isolatieniveau van de woning (isolatie, koudebruggen, compactheid,…) Wettelijk moet dit cijfer minder bedragen dan 45 (vanaf 2006).


Kunststofplaten: Verzamelnaam voor isolatiematerialen vervaardigd uit aardoliederivaten, onder meer geëxpandeerd polystyreen (EPS of piepschuim), geëxtrudeerd polystyreen (XPS), polyurethaan (PUR).


Laag energie woningen: woningen die door de juiste keuzes en goede uitvoering veel minder energie verbruiken dan de doorsnee woning (ongeveer één derde). Men spreekt over laag energie woningen bij een verbruik voor verwarming lager dan 50 – 60 kWh/m² of een E-peil lager dan E60.


Lambda-waarde (in W/mK): materiaaleigenschap die aangeeft hoe goed het materiaal de warmte geleidt, dan wel tegenhoudt. Materialen met een lambda-waarde lager dan 0.065 worden als isolerend aanzien (polystyreen, minerale wol, papiervlokken, …..).


Luchtdichtheid: De luchtdichtheid van een woning geeft aan hoeveel kieren en spleten aanwezig zijn waardoor koude buitenlucht in de woning geraakt of warme lucht uit de woning ontsnapt. Gebrek aan luchtdichtheid zorgt voor verkeerde ventilatie, extra warmteverlies en soms condensatieproblemen in isolatie. Voorbeelden van luchtlekken zijn: kieren aan ramen en deuren, rolluiken, zolderluik of kelderdeur, brievenbus,…


Mezzanine: een open, niet afsluitbare verdieping in een hoge ruimte


Minerale wol: Isolatiemateriaal van minerale oorsprong. Dit kan glaswol of rotswol zijn.


Modulerend: met meerdere tussenstappen tussen open en dicht. Een gewone lamp is aan of uit, met een dimmer moduleert u de lichtsterkte. Een gaspit op het kookfornuis kan bijgeregeld worden en is ook modulerend. Oude ketels zijn meestal niet modulerend: volle vlam of niets. Meeste moderne gasketels zijn modulerend en passen de hoogte van de vlam aan de behoefte aan.


n50-waarde: De luchtdichtheid van een woning kan worden gemeten en uitgedrukt in n50-waarde: het aantal maal dat de lucht in een woning per uur wordt gewisseld bij een drukverschil van 50 Pa (opgewekt met een grote ventilator die in de deur wordt geplaatst, daarom ook Blower Door test genoemd.) De gemiddelde Vlaamse woning heeft een luchtdichtheid van 8 x per uur, goede luchtdichtheden situeren zich rond 3 tot zelfs 1 per uur.


Netto constante waarde (NCW of NPV): berekeningsmethode om de economische zinvolheid van een ingreep te beoordelen. Deze rekenmethode rekent elke kost en besparing met behulp van een discontovoet terug tot het moment van investering en geeft een evenwichtiger beeld dan een terugverdientijd.


Omvormer: toestel dat bij foto-voltaïsche cellen gelijkstroom omvormt tot wisselstroom die aan het net kan worden gekoppeld.


Oppervlaktecondensatie: neerslag van vocht op het oppervlak van een wand daar waar de temperatuur van het oppervlak lager is dan het dauwpunt van de lucht



Optimaz: Een kwaliteitslabel dat wordt toegekend aan hoogrendements-stookolieketels en dat betrekking heeft op het rendement en op de uitstoot van schadelijke rookgassen.


Optimaz-elite: Een kwaliteitslabel dat wordt toegekend aan condenserende stookolieketels en dat betrekking heeft op het rendement en op de uitstoot van schadelijke rookgassen.


Passief Huis: Een bouwwijze die leidt tot zeer goed geïsoleerde en energiezuinige woning waar (bijna ) geen verwarming meer nodig is. Het energieverbruik voor verwarming is kleiner dan 15 kWh/m², het E-peil bedraagt ongeveer E30.zie ook www.passiefhuisplatform.be


Piekvermogen (in Wpiek): maximaal vermogen van een PV installatie bij volle zon. Het gemiddelde vermogen bedraagt ongeveer één tiende daarvan.


Polyurethaan (PUR): Kunststof isolatiemateriaal, geelkleurig en met een gesloten cellenstructuur.


Primaire energie: energie in zijn meest primaire vorm zoals hij in de natuur wordt gevonden. Bij het omvormen van deze energie (voorbeeld: raffinage van aardolie tot benzine, opwekking van elektriciteit) gaat er steeds een deel verloren. Om de totale keten te kunnen beoordelen worden vele toepassingen omgerekend tot primaire enerige.


PV: Photo Voltaïsch: fysisch verschijnsel dat licht omzet in elektrische stroom.


Rotswol: Isolatiemateriaal van minerale oorsprong, gewonnen uit diabaas, basalt, kalksteen en aardgas.


SPF: (seizoensprestatiefactor) Prestatiefactor van een warmtepomp die de verhouding weergeeft tussen de geleverde warmte en de toegevoerde energie (elektriciteit), niet enkel voor de compressor maar ook voor bijkomende bron- of circulatiepompen. Een goede warmtepomp haalt een CPF van 3.5 tot 4.5. De SPF geeft een betere beroodeling dan de COP..


Stand-by verbruik: het elektriciteitsverbruik van een toestel terwijl het is uitgeschakeld maar de stekker nog insteekt. Vele toestellen met afstandsbediening verbruiken nog een beetje elektriciteit in uitgeschakelde stand, maar wel gedurende het gehele jaar door.


Stilstandsverliezen: verliezen van een toestel op momenten dat we er geen gebruik van maken, veelal betekent dit energieverlies. Een boiler met water koelt langzaam af, ook al verbruiken we geen water. Een warme CV ketel verliest warmte naar de omgeving en via de schouw zodat hij terug moet worden opgewarmd de volgende maal dat er warmtebehoefte is in de woning. Een transformator, gebruikt in allerlei elektrische toestellen, verbruikt elektrische energie, ook al maken we verder geen gebruik van het toestel.


Stralingswarmte: warmte die via straling wordt verspreid, zonder tussenmedium. Zonnestraling is een voorbeeld, maar ook warmtestraling van een radiator of kachel, een verwarmde vloer of muur.


Temperatuur zonder verwarming: de buitentemperatuur waarbij de verwarming in de woning kan worden uitgeschakeld. Dank zij diverse winsten (binnenvallend zonlicht, warmte die bewoners of toestellen afgeven) ligt deze temperatuur zonder verwarming meestal een aantal graden beneden de woningtemperatuur; bijvoorbeeld 16 °C, en lager bij laag energie woningen.


Terugverdientijd: periode in jaren waarna de initiële investering is terugverdiend door jaarlijkse besparing (op verbruik). Bij een investering van 1000 € die ons jaarlijks 200 € laat besparen is de terugverdientijd 5 jaar (als we geen rekening houden met rente en energieprijsstijgingen). Is niet zulk een interessante beoordeling want ze houdt geen rekening met de besparing die kan gerealiseerd worden nadat ze is terugverdiend (isolatie die op 5 jaar is terugverdiend, spaart daarna nog gedurende 50 tot 100 jaar)


Thermische trek: drukverschil ten gevolge van temperatuurverschillen tussen binnen en buiten, ook wel schouweffect genoemd. Hoe hoger het gebouw, hoe groter dit effect.


Transmissieverliezen: warmteverliezen ten gevolge van transmissie (geleiding) van warmte door een materiaal. Dat kan zijn een muur, een vloer, het dak of glas van het venster.


U-waarde (in W/m²K): Eigenschap van een wand (muur, dak, vloer, schrijnwerk) die aangeeft hoe goed die wand warmte of koude doorlaat. Goede (lees isolerende U-waarden voor wanden zijn 0.4 – 0.2 of nog lager.


v50-waarde: De luchtdichtheid van een woning kan worden gemeten en uitgedrukt in v50-waarde: het luchtlekdebiet per vierkante meter bij een drukverschil van 50 Pa (opgewekt met een grote ventilator die in de deur wordt geplaatst, daarom ook Blower Door test genoemd.) Een goede waarde doet het energieverbruik dalen, het comfort stijgen en zorgt voor een lager E-peil.


Vlaswol: Nagroeibaar en biologisch afbreekbaar isolatiemateriaal.


Waakvlam: een kleine vlam in een gastoestel die voortdurend blijft branden en de brander ontsteekt als er warmtevraag ontstaat (in een gasconvector, gasgeiser of gasboiler, gasketel). Dit verbruik van 75 tot 150 m³ gas per jaar kan worden vermeden door te kiezen voor toestellen zonder waakvlam. doof de waakvlam van verwarmingstoestellen in elk geval buiten het stookseizoen.


Warmte kracht koppeling (WKK): Apparaat dat zowel elektrische stroom opwekt (kracht) als warmte levert; meestal op basis van een verbrandingsmotor. Interessante toepassing omdat de warmteverliezen die bij de opwekking van elektriciteit anders verloren gaan hier wel kunnen worden benut als nuttige warmte, bijvoorbeeld voor verwarming.


Warmte Terug Win apparaat (WTW): apparaat dat de warmte uit de afgevoerde ventilatielucht recupereert en deze afstaat aan de toe te voeren verse lucht die wordt voorverwarmd. Rendementen van 50 tot 95 % zijn haalbaar.


Warmtepomp: toestel dat warmte ‘verpompt’ van een plaats met lage temperatuur naar een plaats met hoge temperatuur, maar waarbij steeds ook een beperkte inbreng van energie (1/2 tot 1/5 van de verpompte warmte) vereist is. Zie ook COP, SPF, horizontaal of verticaal captatienet.Voorbeelden: koelkast, diepvriezer, airconditioning, maar ook als verwarmingssysteem.


Warmteverliesoppervlakte van een gebouw: de som van de oppervlakten van alle wanden of wanddelen die het beschermd volume van een gebouw scheiden van de buitenomgeving (buitenlucht, grond of aanpalende niet-verwarmde ruimten)


Warmteweerstand van een wand: (R in m²k/W): Eigenschap van een wand (muur, dak, vloer, schrijnwerk) die aangeeft hoe goed die wand warmte of koude tegenhoudt. Goede R-waarden voor wanden zijn 2.5 - 5 of nog hoger. De R-waarde is het omgekeerde van de U-waarde: R = 1/U of U = 1/R.


Weersafhankelijke regeling: regeling die de keteltemperatuur regelt in relatie met de buitentemperatuur. Hoe lager de buitentemperatuur, hoe hoger de keteltemperatuur. De instellingen van de regeling worden gedaan volgens een ‘stooklijn’. Ook de temperatuur van het distributiewater voor vloerverwarming wordt meestal weersafhankelijk geregeld.


Zelfregelend (raam)rooster: toevoerrooster voor ventilatie dat boven het raam geplaatst wordt en dat zo ontworpen werd dat bij een toename van windsterkte of temperatuurverschil de toegevoerde hoeveelheid lucht toch dezelfde blijft.


Zonnecellen: halfgeleidercellen die zonlicht omzetten in gelijkstroom volgens het foto-voltaïsche effect (PV).


Zonnewering: bewuste afscherming tegen de zon die tot oververhitting van de woning kan leiden. Deze zonnewering kan vast of beweegbaar zijn, binnen of buiten de glaspartij worden geplaatst, of soms ook bestaan uit (bladverliezende) loofbomen.


Zonne-paradox: tegenstelling die ontstaat bij het gebruik van verwarming tussen het aanbod van zonlicht (vooral in de zomer) en de vraag naar verwarming (vooral in de winter) De eventuele bijdrage van de actieve zonne-energie wordt daardoor kleiner.Door de woning beter te isoleren vermindert de vraag naar verwarming en vergroot het potentieel om de zon voor verwarming toe te passen. Dit is niet van tel voor sanitair water.


Zomercondensatie: vorm van inwendige condensatie die kan optreden in de zomer wanneer er transport van vochtige lucht plaatsvindt van buiten naar binnen, vooral een risico bij binnenisolatie