We hebben een leverancier van Wilmar, ’s werelds grootste palmoliehandelaar, op heterdaad betrapt in Indonesië. Vlak bij het nationaal park Tanjung Puting waren graafmachines regenwoud aan het vernielen voor de aanleg van oliepalmplantages.

Eerder dit jaar was ik in Indonesië om campagne te voeren voor de verlenging van het moratorium op nieuwe concessies. De mediastorm rond de bosbranden op Sumatra barstte kort daarna ook los. Een drukke periode met andere woorden, maar Jakarta is en blijft een hectische stad die ik in het weekend graag ontvlucht. Ik maakte van de gelegenheid gebruik om eindelijk eens wilde orang-oetans in levenden lijve zien.

Van collega Achmad, onze Indonesische Solutions-projectleider die uit Kalimantan afkomstig is, kreeg ik al snel een heleboel nuttige tips om Tanjung Puting te bezoeken, een nationaal park dat een van de laatste gebieden ter wereld is waar bedreigde orang-oetans en vele andere soorten zouden moeten kunnen leven zonder de bedreiging van bosvernietiging.

En dus stapte ik in Kumai, Centraal Kalimantan, op een huisbootje voor een combinatietocht van drie dagen over de Sekonyer-rivier en door het bos, die zou eindigen in het befaamde Camp Leakey, van waaruit een rehabilitatieprogramma gerund wordt voor deze fantastische dieren.

Idyllisch leek het allemaal wel, inclusief de geluiden van het oerwoud en de roep waarmee de orang-oetanleider zijn groep ’s ochtends laat weten dat hij wakker is. Maar al van bij het begin was duidelijk dat de bedreigingen voor zijn voortbestaan alomtegenwoordig zijn.

Het water van de Sekonyer zou zwart moeten zien vanwege de veengronden waardoor haar bedding loopt. De hoofdader van de rivier kleurt echter bruin.  De oorzaak is de ontbossing in de regio. Ik kon mijn gids overtuigen onze boot wat verder de rivier op te sturen om het inferno te zien dat de mijnbouwindustrie aanricht. ‘Maar niet te dicht, miss’, en ‘strictly no pictures miss’. In de buurt van de palmolieplantages durfde hij zich niet te wagen. Pottenkijkers kunnen ze daar duidelijk missen als kiespijn.

Maar daar weten wij natuurlijk wel raad mee – onze pas gepubliceerde luchtfoto’s spreken voor zich:

Bumitama Agro, een van Wilmars leveranciers met een zware voorgeschiedenis van bosvernietiging, beweerde onlangs nog dat het de graafmachines zou stilleggen. Onze beelden tonen iets heel anders. We betrapten hen op heterdaad, vlak bij het nationaal park van Tanjung Puting.

Het bedrijf, nochtans lid van de Rondetafel voor Duurzame Palmolie (RSPO), heeft al vaker beloofd om geen bos en veen meer om te zetten in plantages, bijvoorbeeld toen begin dit jaar verschillende orang-oetans kwamen vast te zitten in een overgebleven stukje bos en reddingsteams ter plaatse moesten gaan om de dieren in kritieke toestand te ontzetten.

Via Wilmar komt palmolie van dit soort bedrijven terecht bij de consument, onder andere via de supermarkt. Als klap op de vuurpijl is Wilmar ook nog een van de belangrijkste investeerders in Bumitama Agro en koopt het de helft van de productie van het bedrijf.

Als wat op deze foto’s staat zogenaamd ‘duurzame’ palmolieproductie is, dan hebben consumenten alle recht om van hun favoriete merken dringend actie te vragen zodat ze de garantie krijgen dat zulke vuile palmolie niet meer in onze producten terecht komt.

En dat zal duidelijke actie moeten zijn, die verder gaat dan de RSPO. Colruyt en Carrefour gaven een uitgebreid antwoord op jullie vragen, maar schieten tekort om ervoor te zorgen dat ze palmolie van Bumitama uit hun toevoerketen kunnen weren. Delhaize maakte er zich vanaf met een nietszeggend berichtje. Ik vraag me echt af of ze daar denken dat de mensen zich zo gemakkelijk met een kluitje in het riet laten sturen.

Er zijn immers alternatieven, zoals een groep progressieve palmolieproducenten onlangs aantoonde met meetbare criteria voor ontbossingsvrije palmolie.

>> Vraag Delhaize om een duidelijk antwoord – en eentje dat garanties geeft op ontbossingsvrije palmolie