Het Kyoto-protocol

Pagina - 21 april, 2010
In december 1997 stelden 184 regeringen het Kyoto-protocol op in de oude Japanse stad Kioto. In 2005 werd het verdrag van kracht waardoor 37 geïndustrialiseerde landen verplicht waren om tegen 2012 hun uitstoot van broeikasgassen met gemiddeld 5 % te verminderen ten opzichte van 1990.

Belgische actievoerders zetten druk op Rusland om het Kyoto-protocol te raticiferen.

Het protocol was een “eerste stap” in het beheer van de uitstoot van broeikasgassen, doordat het een internationaal kader biedt in de strijd tegen de klimaatproblemen. De geïndustrialiseerde landen krijgen doelstellingen opgelegd voor de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen door het bepalen van quota’s met emissierechten die niet overschreden mogen worden.

Ook de ontwikkelingslanden hebben rechten en plichten in het kader van Kyoto, maar zij hebben geen dwingende doelstellingen voor de vermindering van de uitstoot. Door zich te engageren in projectgebonden mechanismen (Clean Development Mechanism of CDM) kunnen ze bijvoorbeeld fondsen krijgenn om hun uitstoot af te bouwen.

Beperkingen

De impact op de wereldwijde uitstoot was echter heel zwak, en bepaalde mechanismen zijn eerder twijfelachtig.

De zwakte van het Kyoto-protocol ligt vooral in de afwezigheid van de Verenigde Staten die zich vanaf 2001 teruggetrokken hebben. Hun terugtrekking heeft de bestaansreden van het protocol op losse schroeven gezet. Kunnen we eigenlijk wel een mechanisme creëren dat beoogt om de uitstoot aan broeikasgassen te regelen zonder de tweede grootste vervuiler van de planeet erbij te betrekken?

Ook andere mechanismen hebben de capaciteit van het protocol ingeperkt om haar doelstelling te bereiken. Zo kunnen de geïndustrialiseerde landen hun inspanning uitbesteden via de zogenaamde “flexibele” mechanismen. Het grootste mechanisme is dat van het CDM: investeerders stoppen geld in projecten voor de reductie van de uitstoot in ontwikkelingslanden ter compensatie van de eigen uitstoot, of voor het verzamelen van “koolstofkredieten”, waarmee winst kan worden gemaakt op de koolstofmarkt. Deze projecten slaan zowel op gigantische hydraulische centrales in India, als op opvang en gebruik van methaan afkomstig van de stortplaatsen in Brazilië.

In de praktijk heeft het systeem echter zijn beperkingen. Eerst en vooral zien we dat de projecten vooral gericht zijn op groeilanden (China, India, Brazilië en Mexico) die in de meeste gevallen toch zouden ingestemd hebben met deze groene investeringen omwille van het rendement. Het wordt ook steeds duidelijker dat de uitgewerkte projecten zelden leiden tot een werkelijke vermindering van de uitstoot van broeikasgassen, terwijl het bedrijf in het geïndustrialiseerde land de toestemming krijgt om meer uit te stoten. Uiteindelijk leidt het systeem dus vaak tot een stijging van de uitstoot van broeikasgassen.

Post-Kyoto

Een herziening van het CDM is dan ook absoluut noodzakelijk om te komen tot een werkelijke uitstootreductie.

Het protocol voorziet sancties voor de landen die hun verplichtingen niet nakomen. In realiteit stellen we vast dat dit mechanisme moeilijk te realiseren is, en tot nog toe weinig effect had. De uitstoot van broeikasgassen in Canada bijvoorbeeld is met meer dan 25 % gestegen sinds 1990, terwijl de doelstelling bestond uit een vermindering met 6 %. Het protocol voorziet de mogelijkheid om de landen te bestraffen in 2012, maar wat zal er gebeuren als het protocol niet verlengd wordt?

In 2012 loopt de periode van het Kyoto-protocol inderdaad af. Er moeten dringend mechanismen opgezet worden om het protocol te doen slagen. Mechanismen die zich zullen moeten baseren op een gelijk kader en die verplichte doelstellingen tot vermindering van CO2 vastleggen voor de staten, en dit in lijn met de aanbevelingen van de wetenschappers.

Onderwerpen