De drijfveren van ontbossing

Pagina - 9 april, 2010
Ontbossing is het proces dat leidt tot het verdwijnen van bosgebieden. Dat gebeurt vandaag vooral als gevolg van menselijk handelen. Het bos slinkt elke dag door de economische activiteiten: volgens de VN-voedselorganisatie (FAO) gaat elk jaar dertien miljoen hectare bos voor de bijl. En vooral het tropisch woud heeft het hard te verduren: in het Amazonegebied, in het Congobekken en in Zuidoost-Azië. Hoe komt dat?

Er wordt vooral ontbost om te voldoen aan de wereldwijde vraag naar houtproducten.

Hout en grond leveren

De ontbossing heeft twee economische motieven. Eerst en vooral wordt er ontbost om materiaal te leveren voor de houthandel en te voldoen aan de wereldwijde vraag naar houtproducten (zoals parketvloeren, bouwmateriaal en papier). Bosgebieden worden aangesneden om gemakkelijker bij zeldzame boomsoorten te komen. Die bomen worden dan omgehakt en afgevoerd. De rest blijft rotten of wordt opbrand. Op die manier zorgen de tropische en boreale bossen voor de toevoer van hout aan grote invoerders als de Europese Unie, de Verenigde Staten, Japan en China. De buit van die plundering van het woud belandt in onze winkels, kantoren en woningen zonder dat wij beseffen welke prijs het milieu moet betalen voor ons materiële comfort.

De voedingsindustrie is de tweede grote verantwoordelijke voor de ontbossing. Bosgebieden moeten wijken voor akkers of voor grote graasweiden. Die worden vol geplant met oliepalmen of soja, of dienen om runderen op te kweken. Zo boren de voedingsgiganten (Cargill, Unilever, Nestlé, Procter & Gamble, enzovoort) nieuwe bronnen aan om hun fabrieken te laten draaien en de markt te bevoorraden met voedingsmiddelen, cosmetica, wasmiddelen en biobrandstoffen.

Op zich maakt het niet uit waarvoor die nieuwe teelten precies bestemd zijn. Ze zorgen dat het bos wordt aangetast uit financiële overwegingen die geen rekening houden met de ecologische en sociale gevolgen van de ontbossing.

Corruptie en gebrek aan politieke wil

De bedrijven zouden de bosrijkdommen niet kunnen plunderen zonder de steun van de politieke overheid en een ruim verspreide corruptie.

In Indonesië voert de regering een rampzalig beleid door steun te bieden aan bedrijven die palmolie en papierpulp produceren. In de Democratische Republiek Congo konden houtkapbedrijven dankzij de corruptie en de politieke instabiliteit hun houtkapvergunningen volledig illegaal uitbreiden. In Brazilië subsidieert de regering de expansie van enorme veeteeltbedrijven die het Amazonewoud letterlijk in rook laten opgaan. Door de corruptie kunnen illegale houtkapbedrijven hun buit ongestraft exporteren.

In Europa zijn de politieke leiders het nog altijd niet eens over een strenge regelgeving voor de houthandel. Zij verdedigen het gebruik van biobrandstoffen en dragen zo bij aan de vernietiging van de rijkdommen uit het woud. En op wereldvlak lijkt het moeilijk om in de onderhandelingen over de klimaatverandering rekening te houden met de 20 % uitstoot van broeikasgassen die het gevolg is van ontbossing.

Uiteindelijk dragen de politici door hun weigering om de houtkapbedrijven en de landbouwindustrie doeltreffend te controleren, een even grote verantwoordelijkheid voor de wereldwijde ontbossing als die bedrijven zelf.

Onderwerpen