Vraag & antwoord

Welke rol spelen bossen voor het klimaat? Op welke regio's spitst Greenpeace zich toe voor de bescherming van het regenwoud? Wat zijn de belangrijkste drijfveren achter de ontbossing? Hoe kan je als consument deze ontbossing tegengaan?

Een overzicht van veelgestelde vragen en antwoorden.

ALGEMEEN  
  • Waarom voert Greenpeace campagne voor de bescherming van bossen?

    Elke twee seconden verdwijnt wereldwijd een stuk bos zo groot als een voetbalveld, vooral in het Amazonegebied, het Congobekken en in Zuidoost-Azië. Die ontbossing heeft gevolgen voor de hele planeet: verhoogde uitstoot van broeikasgassen, verlies van ecosystemen waar miljoenen diersoorten afhankelijk van zijn en de verwoesting van het leefgebied voor honderden miljoenen mensen.

  • Waarom richten de campagnes van Greenpeace zich vooral op het behoud van de grote tropische regenwouden, en bijvoorbeeld niet op bossen in België?

    Door hun oppervlakte en specifieke kenmerken zijn de tropische regenwouden in het Amazonegebied, het Congobekken en Indonesië en Papua-Nieuw-Guinea essentieel voor de strijd tegen de klimaatverandering, voor het behoud van de biodiversiteit (verscheidenheid aan planten- en diersoorten) en voor de mensen die rechtstreeks en onrechtstreeks afhankelijk zijn van deze wouden. Het beschermen van deze regenwouden is van mondiaal belang.

    Maar Greenpeace voert ook campagne voor het behoud van grote oerbossen buiten de tropische regio's. Onze kantoren in andere bosrijke landen zoals Rusland en Canada, en in Noord-Europa (Finland en Zweden) zetten ook campagnes op om hun oerbossen te behouden en de roofbouw daar te stoppen. Dat wil niet zeggen dat Greenpeace geen belang hecht aan de bescherming en het goede beheer van bossen in België, maar aangezien Greenpeace een wereldwijde organisatie is, concentreren we ons op de bosvernietiging die op wereldschaal een urgente bedreiging vormt.

  • Op welke manier is Greenpeace aanwezig in de landen met de voornaamste bosgebieden?

    Greenpeace heeft kantoren in Brasilia en in Manaus (in het Braziliaanse Amazonewoud), in Kinshasa (Democratische Republiek Congo) en in Jakarta (Indonesië). Ook in Canada en Rusland wordt heel actief campagne gevoerd voor het behoud van de bossen in die landen.

    In Congo heeft Greenpeace pas in 2008 een kantoor geopend (Kinshasa) maar we doen al meer dan tien jaar onderzoek naar de industriële houtkap in de regio. Naast de DR Congo werkte Greenpeace bijvoorbeeld al intensief rond de illegale houtkap in Kameroen, Gabon en Congo-Brazzaville.

    Greenpeace doet zowel onderzoek op het terrein als analyse van de links met de internationale handel. We zijn actief op vlak van politiek en campagnewerk maar onderhouden ook nauwe contacten met andere milieuorganisaties en lokale gemeenschappen.

  • Waarom worden oerbossen wel eens vergeleken met een 'genenbank'?

    Heel veel diersoorten leven in de regenwouden. De vernietiging van deze regenwouden leidt tot het uitsterven van planten- en diersoorten. Natuurlijke bossen beslaan nog ongeveer een kwart van het aardoppervlak. De tropische regenwouden herbergen naar schatting meer dan de helft van alle soorten op aarde (de oceanen niet meegerekend).

    Het huidige tempo waarin soorten verdwijnen ligt naar schatting duizendmaal hoger dan het natuurlijke tempo. Dit verlies aan planten- en diersoorten zal op termijn de mens zelf bedreigen. Twee derde van de 3000 planten die als bestanddeel dienen van geneesmiddelen komen uit tropische bossen.

    Als de Congolese bossen verdwijnen, worden soorten zoals de bonobo, de woudolifant en de okapi met uitsterven bedreigd. In Indonesië bedreigt ontbossing het voortbestaan van onder meer de orang-oetan en de Sumatraanse tijger.

  • Spelen de tropische bossen een sleutelrol voor het regelen van de neerslag?

    Regenwouden bepalen het debiet van rivieren en lokale en regionale neerslagpatronen, soms zelfs voor een heel continent.

    Dit betekent evenwel niet dat deze bossen geen periodes van droogte kennen. Recent kampte het Amazonegebied nog met enorme droogte. Het peil van de Amazone, de langste rivier ter wereld, stond historisch laag in 2005 en 2010. Deze droogtes hebben op hun beurt geleid tot grootschalige bosbranden.

  • Welke rol spelen bossen voor het klimaat?

    De bescherming van de laatste tropische bossen is ook cruciaal in de strijd tegen de klimaatverandering. De vernietiging van deze uitgestrekte bossen versnelt de opwarming van de aarde doordat er veel broeikasgassen vrijkomen die anders door de bomen en de bosbodem worden vastgehouden. Tropische bossen zijn immers ook enorme opslagplaatsen voor koolstof. De broeikasgassen komen vrij wanneer het woud wordt gekapt, in vlammen opgaat of wanneer veenmoerassen worden drooggelegd. Ontbossing is verantwoordelijk voor 12 tot 20 procent van de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen. Dat is bijvoorbeeld meer dan de wereldwijde transportsector. De vernietiging van bossen in Indonesië en Brazilië maken dat deze landen respectievelijk op de derde en vierde plaats staan in de ranglijst van grootste uitstoters van broeikasgassen ter wereld. Enkel China en de VS doen nog slechter.

  • Zijn er veel mensen die voor hun levensonderhoud afhankelijk zijn van het woud?

    De VN schatten dat 1,6 miljard mensen wereldwijd afhankelijk zijn van de bossen voor hun levensonderhoud. Heel veel volkeren leven al eeuwenlang in de wouden zonder ze te vernietigen.

    Zij vinden er brandhout, voedsel, medicijnen, onderkomen en producten. Onder andere in de Congolese regenwouden is dat duidelijk het geval. Daar zijn naar schatting 40 miljoen mensen (ongeveer twee derde van de totale Congolese bevolking) op de een of andere manier aangewezen op het woud. Het bos is in vele landen niet enkel een 'supermarkt' en 'apotheek' voor volledige bevolkingsgroepen, maar ook een plek met een grote spirituele betekenis. Ook om die redenen leidt de vernietiging ervan vaak tot grote sociale conflicten.

  • Wat zijn de bedreigingen voor de tropische bossen?

    De oorzaken van de ontbossing zijn divers en ze zijn vaak onderling met elkaar verweven. Steeds meer regenwoud wordt gerooid voor grootschalige en/of industriële exploitatie.

    In het Amazonegebied bijvoorbeeld vormen de commerciële landouw (bijvoorbeeld de sojateelt) en veeteelt grote bedreigingen. Veeteelt is vandaag goed voor 80 procent van de verwoesting van het Amazonewoud, veel meer dus dan de ontbossing veroorzaakt door de houthandel of de sojateelt. Brazilië heeft de grootste commerciële veestapel ter wereld. Het is de grootste uitvoerder van rundvlees en leder, en wil zijn marktaandeel nog verdubbelen tegen 2018.

    In Indonesië moeten waardevolle regenwouden wijken voor onze vraag naar palmolie en papier. In Congo maakt de houtkapindustrie de laatste intacte bossen van het Afrikaanse continent toegankelijk voor verdere ontbossing. De palmolie-industrie toont sinds kort ook interesse in Afrika. In Gabon, Liberia en Kameroen bijvoorbeeld krijgt de palmolie-industrie steeds meer voet aan de grond.

  • Hoe snel verloopt de ontbossing vandaag?

    Volgens het FAO (Voedsel- en Landbouwagentschap van de VN) gaat er jaarlijks 13 miljoen hectare tropisch bos verloren aan economische activiteiten. Tropische bossen worden opgeofferd in het Amazonegebied, in het Congobekken en in Zuidoost-Azië. In deze regio's verdwijnt er elke twee seconden een oppervlakte ter grootte van een voetbalterrein. Op een jaar tijd is dat meer dan vier keer de grootte van België.

  • Greenpeace wil een 'nulontbossing' tegen 2020. Is dat wel haalbaar?

    De problematiek van de ontbossing is erg complex en verschilt sterk van land tot land. Greenpeace voert bijvoorbeeld campagne rond 'nulontbossing' in het Braziliaanse Amazonewoud, maar ook in de veenmoerassen en tropische bossen in Indonesië. Na publiekscampagnes van Greenpeace werd ontbossing voor soja- en veeteelt tijdelijk opgeschort. De voorbije jaren heeft de Braziliaanse regering verschillende maatregelen genomen om de ontbossing in het Amazonewoud drastisch terug te dringen, al staat de kwaliteit van dit beleid nu ter discussie (uit satellietbeelden van 2010-2011 blijkt dat de ontbossing van het Amazonewoud opnieuw sneller verloopt) en stijgt de druk om in Brazilië de boswetgeving te versoepelen ten voordelen van de landbouw (en ten koste van het regenwoud).

    In Indonesië heeft Greenpeace de regering lang aangespoord om een moratorium in te stellen op het omzetten van bossen en veenmoerassen in plantages. In mei 2011 heeft de Indonesische overheid eindelijk een moratoriumdecreet uitgevaardigd, maar de voorgestelde bescherming is momenteel nog volstrekt ontoereikend: nog tot 40 miljoenen hectare bos dreigt te verdwijnen.

    In vergelijking met het Amazonegebied en met Indonesië is de snelheid van de ontbossing in het Congobekken nog relatief laag. Daarom voert Greenpeace in het Congobekken campagne om in de eerste plaats de grootste en ecologische meest waardevolle bosgebieden te vrijwaren.

  • Welke actie onderneemt Greenpeace voor de bossen?

    Het behoud van de tropische regenwouden is voor Greenpeace een topprioriteit. We stellen wereldwijd alles in het werk om het thema van de ontbossing hoog op de internationale politieke agenda te houden. Greenpeace ijvert voor maatregelen die de bossen beschermen en die de klimaatverandering helpen afremmen. Op Europees niveau bijvoorbeeld komt er een wet die de handel in hout regelt. Zo hoopt Greenpeace dat er op termijn een einde komt aan de verkoop van illegaal gekapt hout. Tegelijk probeert Greenpeace te verhinderen dat het EU-beleid voor biobrandstoffen bijdraagt aan de ontbossing. Tot slot voert Greenpeace internationale campagnes om te beletten dat nog meer regenwoud wordt opgeofferd aan commerciële belangen, zoals dat bij palmolieplantages, houtkapindustrie, de productie van biomassa (voor energie-opwekking) of veelteelt het geval is. Dat doen we vaak door druk uit te oefenen op multinationals van wie we verwachten dat ze hun aankoopbeleid aanpassen zodat hun productketens gevrijwaard worden van bosvernietiging. Onze KitKat-campagne in 2010 is daar een voorbeeld van.

    Dagelijks verdwijnt er woud voor financieel gewin op korte termijn. Daarom eist Greenpeace dat de betrokken sectoren hun vaak verwoestende werkwijzen veranderen, en meer respect tonen voor het milieu, de biodiversiteit en de rechten van de lokale gemeenschappen.

  • Is Greenpeace tegen elke vorm van ontbossing? Wat met de lokale bevolking?

    Het is belangrijk goed te omschrijven wat we verstaan onder de term “ontbossing”: het volledig kaal kappen van een bos of de omzetting van bos naar plantages. Greenpeace besteedt daarom in zijn campagnes erg veel aandacht aan grootschalige activiteiten die tot de volledige verdwijning van het bos leiden.

    Maar ook activiteiten zoals de commerciële houtkap – die niet rechtstreeks leiden tot totale ontbossing maar wel een proces op gang brengen van geleidelijke degradatie van grote aaneengesloten bosgebieden – verdienen de aandacht van Greenpeace. Deze houtkap, hoe selectief ook, is vaak de eerste stap naar een volledige ontbossing.

    Daarom willen we dat er prioriteit wordt gegeven aan het behoud van de meest waardevolle bosgebieden die vandaag nog grotendeels intact zijn. Voor de lokale gemeenschappen is het belangrijk dat er alternatieve ontwikkelingsmodellen bestaan, waardoor ze niet langer afhankelijk zijn van verwoestende industrieën.

  • Hoe werkt Greenpeace samen met de lokale bevolking?

    In veel gevallen is het de lokale bevolking en zijn het lokale organisaties die lokale campagnes op touw zetten om het woud te beschermen en illegale praktijken en roofbouw aan de kaak stellen.

    Greenpeace werkt in alle regio's (Amazonewoud, Congo en Indonesië) waar het campagne voert nauw samen met zulke organisaties. In een aantal recente campagnes ontplooien we zelfs activiteiten samen met deze lokale gemeenschappen, bijvoorbeeld het Forest Defenders-kamp in Indonesië. In het Amazonewoud werkte Greenpeace aan een project om samen met de lokale gemeenschappen de bossen en hun bedreigingen zorgvuldig in kaart te brengen. In Congo staat Greenpeace in nauw contact met de lokale milieuorganisaties. In de Congolese regio's waar de houtkap plaatsvindt, organiseert Greenpeace workshops over de toekomst van de bossen. Daarbij wordt actief gezocht naar alternatieve oplossingen die minder verwoestend zijn voor het woud dan de commerciële houtkap.

  • Waarom worden de regenwouden de “groene longen” van de planeet genoemd?

    Tropische bossen houden enorme hoeveelheden koolstofdioxide vast. Dit broeikasgas komt vrij in de atmosfeer wanneer bos wordt gekapt of afgebrand. De bomen, bosbodems en de organismen die in het bos leven stockeren op die manier ongeveer 300 miljard ton koolstof, ofwel meer dan 40 keer de jaarlijkse CO2-uitstoot uit de verbranding van fossiele brandstoffen.

    De strijd tegen ontbossing is daarom van groot belang voor de strijd tegen de klimaatverandering. Ontbossing is goed voor 12 tot 20 procent van de wereldwijde uitstoot. Dit is meer dan bijvoorbeeld de uitstoot uit de wereldwijde transportsector. De verwoesting van bossen in Indonesië en Brazilië plaatst deze landen respectievelijk op de derde en vierde plaats in de ranglijst van grootste uitstoters in de wereld, na China en de VS. De vernietiging van veenmoerassen in de Indonesische provincie Riau brengt evenveel CO2 in de atmosfeer als alle elektriciteitscentrales ter wereld op fossiele energiebronnen gedurende vijf jaar.

  • Hoe wordt de strijd tegen ontbossing gekoppeld aan de internationale onderhandelingen over een nieuw klimaatverdrag?

    In het kader van de VN-klimaatonderhandelingen wil men een bijzonder mechanisme opzetten voor de bescherming van bossen. Op de klimaattop van Bali in december 2007 werden de eerste stappen gezet en in december 2010 werd hierover een akkoord gesloten in Cancun. Het mechanisme, beter bekend als REDD (Reduction of Emissions from Deforestation and Degradation), wil de uitstoot van broeikasgassen terugdringen door te strijden tegen bosdegradatie en ontbossing. Greenpeace vindt dat dit programma een goede zaak kan zijn voor de strijd tegen de klimaatverandering, maar wijst erop dat een goed akkoord over REDD ook de biodiversiteit moet beschermen en ten goede komen aan de lokale gemeenschappen en inheemse volkeren.

    Een slecht REDD-akkoord daarentegen kan de industrie vrij spel geven om het woud te exploiteren onder het mom van bescherming en om de betrokken gemeenschappen buiten spel te zetten. Wat bijvoorbeeld absoluut vermeden moet worden, is dat bosrijke gebieden met een rijke biodiversiteit of die van cultureel belang zijn voor de lokale bevolking veranderen in uitgestrekte plantages onder het voorwendsel dat het klimaat er niet slechter van wordt. Het is een rol die Greenpeace voor zichzelf ziet weggelegd bij de opvolging van dit dossier: vermijden dat een ogenschijnlijk “goede zaak” op termijn contraproductief blijkt.

  • Hoe kunnen we de solidariteit tussen geïndustrialiseerde landen en bosrijke landen regelen?

    Geïndustrialiseerde landen dragen historisch de grootste verantwoordelijkheid voor de klimaatverandering. Ze kunnen dus niet zomaar eisen van bosrijke landen dat ze hun wouden in stand houden, zonder zelf inspanningen te leveren om hun eigen uitstoot te verkleinen. En ze moeten hun historische verantwoordelijkheid ten opzichte van de ontwikkelingslanden opnemen.

    Het concrete voorstel van Greenpeace heet “Bossen voor het klimaat”. Het is een mechanisme waarmee geïndustrialiseerde landen de bescherming van bossen in het Zuiden financieren, zonder te raken aan de rechten van de autochtone bevolking. Het is gebaseerd op het principe 'de vervuiler betaalt' en op het akkoord dat werd gesloten tijdens de klimaattop van 2007 in Bali. In een notendop: hoe meer een geïndustrialiseerd land vervuilt, hoe meer geld het moet storten in het fonds voor de bescherming van tropische bossen.

    Het Greenpeacevoorstel laat niet toe dat geïndustrialiseerde landen hun eigen uitstoot van broeikasgassen verhogen als ze de uitstoot in ontwikkelingslanden doen dalen. Dat is het belangrijkste verschil tussen onze benadering en andere financieringsmodellen voor REDD, die steunen op compensatie binnen de internationale koolstofhandel.

    Ontwikkelingslanden met regenwoud op hun grondgebied die willen deelnemen aan het REDD-mechanisme moeten zich engageren om ontbossing te verminderen of voorkomen volgens het principe van 'gedeelde maar ongelijke verantwoordelijkheid' dat werd bepaald binnen de VN-kaderconventie over de klimaatverandering (UNFCCC). Door dit verdrag komen regeringen in aanmerking voor financiële middelen om de uitstoot uit ontbossing in hun land aan te pakken. Landen die kunnen bewijzen dat ze hun broeikasgasuitstoot hebben doen dalen, mogen een compensatie vragen omdat ze hebben bijgedragen aan de internationale strijd tegen de klimaatverandering. Zo kan REDD ontwikkelingslanden aanmoedigen om hun bossen te beschermen.

  • Hoe ver staat het momenteel met de financiering van REDD?

    Vooral sinds de klimaattop in Kopenhagen van 2009 staan verschillende financieringsmechanismen op stapel in tal van bosrijke landen. De Wereldbank en het REDD-programma van de VN zijn actief in een groot aantal landen, maar er bestaan ook regionale fondsen, zoals het Congo Basin Forest Fund. Geïndustrialiseerde landen die in Kopenhagen hebben beloofd om ontwikkelingslanden te steunen in de voorbereidende fase van het REDD-programma, maken geld vrij. Vooral Noorwegen, dat heel veel investeert in onder meer Indonesië. België heeft voorlopig slechts bescheiden bijdragen geleverd aan bepaalde multilaterale en Europese initiatieven die zich vooral toespitsen op Congo.

    Alle geïndustrialiseerde landen moeten echter nog een behoorlijke duit in het zakje doen om de financiering rond te krijgen. Naast de klassieke middelen van ontwikkelingssamenwerking die bovenop de reeds toegekende ontwikkelingsgelden moeten komen, vraagt Greenpeace dat ze ook aan de slag gaan met innoverende financieringsmechanismen, zoals bijvoorbeeld het heffen van een CO2-taks.

  • Het regenwoud ligt voornamelijk in ontwikkelings- en groeilanden. Kunnen we hen verbieden om het bos te gebruiken als een inkomensbron?

    We kunnen hen dat niet verbieden natuurlijk. Landen zoals Brazilië, Congo en Indonesië moeten zelf hun ontwikkelingsmodel kiezen. Maar het behoud van de tropische regenwouden is van mondiaal belang voor miljoenen mensen, voor de biologische diversiteit en voor het klimaat. Het is dan ook een verantwoordelijkheid van de internationale gemeenschap om de meest bosrijke landen bij te staan in hun inspanningen om het bos te behouden.

    Wel kunnen we trachten hen ervan te overtuigen dat ze moeten kiezen voor een duurzame ontwikkeling en niet in dezelfde val mogen trappen als de westerse landen, die hun bossen al grotendeels vernietigd hebben.

    Greenpeace moedigt ontwikkelingslanden aan een 'groen' ontwikkelingsplan uit te stippelen, waarbij ze onder andere kiezen voor een zo efficiënt mogelijke bescherming van hun meest waardevolle bossen. Daar moeten dan natuurlijk middelen tegenover staan van de geïndustrialiseerde landen. Vaak zijn de lokale gemeenschappen zelf vragende partij voor alternatieven voor de industriële ontginning van de bossen, want duurzaam beheer en exploitatie van de bossen door de mensen zelf kan ook een grote stap vooruit betekenen in de strijd tegen de armoede.

  • Gaan corruptie en ontbossing hand in hand?

    In veel bosrijke landen dragen corruptie en slecht bestuur zeker bij tot ontbossing. Corrupte overheidsfunctionarissen kunnen bijvoorbeeld een oogje dichtknijpen als een groot bedrijf illegaal hout heeft gekapt en geen boetes opleggen. Het gebeurt vaak dat er smeergeld wordt betaald om houtkapvergunningen of vergunningen voor de aanleg van bijvoorbeeld palmolieplantages af te leveren op plaatsen waar dat volgens de wet niet mag.

    Het erkennen en analyseren van corruptie en slecht bestuur is dan ook essentieel om te verhinderen dat financiële middelen die worden vrijgemaakt om landen te helpen bij hun strijd tegen de ontbossing blijven kleven aan de handen van ministers of ambtenaren. Het geld moet integraal gaan naar programma's die de bevolking ten goede komen en de ontbossing tegengaan.

  • Waarom mengt Greenpeace zich in de situatie van bosrijke landen in het Zuiden?

    De strijd tegen de ontbossing is cruciaal voor het behoud van de biodiversiteit, de strijd tegen klimaatverandering en voor de honderden miljoenen mensen die van deze wouden afhankelijk zijn. Greenpeace mag dan wel een internationale organisatie zijn, onze nationale en regionale kantoren zijn actief in verschillende bosrijke landen en maken er deel uit van het maatschappelijke middenveld. Ze werken nauw samen met lokale organisaties.

  • Bepaalde landen hanteren een moratorium op het uitreiken van nieuwe concessies. Halen die veel uit?

    Men kan tijdelijk het uitreiken van nieuwe concessies in tropische bossen opschorten. In verschillende bosrijke landen werden dergelijke “moratoria” afgekondigd. Dat is een goede manier om tijd te winnen, zodat er duidelijke regels kunnen worden bepaald en een coherent beleid ontwikkeld, niet alleen door de regering en bedrijven, maar ook voor de strijd tegen de ontbossing en de ontwikkeling van alternatieve bronnen van inkomsten voor de bevolking.

    Met de naleving van zulke moratoria lopen de ervaringen in verschillende landen nogal uiteen. In Brazilië, waar sojahandelaren zelf een moratorium hebben ingesteld op de verkoop van soja uit ontbost Amazonegebied, worden ze beter gerespecteerd dan bijvoorbeeld in Congo, waar het moratorium op de toekenning van nieuwe houtkapvergunningen al van bij de aanvang geschonden werd. In Indonesië kwam er een langverwacht moratorium in mei 2011, maar de inhoud ervan is absoluut ontoereikend. Nog tot 40 miljoenen hectare bos dreigt hier te verdwijnen.

    Om een moratorium effectief en efficiënt te maken zijn een goed bestuur, voldoende controlecapaciteit en de strijd tegen corruptie dan ook cruciaal.

  • Wat bedoelt men met “illegaal hout”?

    Het gaat om hout dat werd gekapt, verzaagd, vervoerd of verkocht op een manier die in strijd is met de nationale of internationale wetgeving. Inbreuken op de boswetgeving kunnen gebeuren in verschillende schakels van de productieketen en de houtverkoop.

    Hout is “illegaal” bijvoorbeeld als:
    – het afkomstig is uit concessies die illegaal werden bekomen (denk aan corruptie)
    – de houtsoort beschermd is, of als het om bomen gaat die in beschermde gebieden werden gekapt
    – het hout buiten de grenzen van de toegelaten vergunning werd gekapt
    – er geen belasting of vergoeding werd betaald aan lokale gemeenschappen of overheden wanneer de wet dit voorschrijft
    – er valse documenten werden gebruikt om het hout te verkopen
    – er valse verklaringen werden afgelegd aan de douane

    Naar schatting is 20 tot 40 procent van het hout dat naar Europa wordt uitgevoerd afkomstig uit illegale exploitaties.

  • Welk aandeel heeft de Europese Unie (EU) in de mondiale ontbossing?

    Dit is moeilijk precies te becijferen. Tal van producten (hout, soja, palmolie, ertsen, ...) die naar Europa worden uitgevoerd, hebben een link met ontbossing overal in de wereld. Daarom vroegen Greenpeace en andere ngo's aan de Europese Commissie om de “forest footprint” (de impact op de bossen) van de EU te meten. Dit onderzoek is nog aan de gang. Greenpeace hoopt dat er beleidsmaatregelen volgen op alle vlakken, niet enkel om de invoer van illegaal hout aan banden te leggen. Het scenario voor hernieuwbare energie in de EU bijvoorbeeld zou de druk op de bossen nog kunnen verhogen als het beleid van de Europese lidstaten inzake biobrandstoffen geen rekening houdt met de negatieve gevolgen, rechtstreeks of onrechtstreeks, op de bossen.

  • Hoe kan de EU de handel in illegaal gekapt hout aanpakken?

    In 2010, na zeven jaar van ngo-campagnes, heeft de EU eindelijk een wet goedgekeurd die illegaal hout op de Europese markt verbiedt. Daardoor moeten de houtimporteurs een systeem uitwerken om de herkomst van het hout te traceren. Overtreders zullen boetes moeten betalen die in verhouding staan met de milieuschade die ze hebben berokkend. Vanaf maart 2013 is de wet van kracht.

    Daarnaast onderhandelt de Europese Unie met belangrijke houtproducerende landen zoals Maleisië, Kameroen, Ghana en Congo-Brazzaville om op vrijwillige basis een partnerschap aan te gaan en samen te werken op het terrein in de strijd tegen de illegale houtkap. Het is evenwel nog te vroeg om te beoordelen in welke mate deze akkoorden succesvol zullen zijn om de illegale houtkap aan banden te leggen.

  • Hoe kan je als consument vermijden dat je producten koopt uit bosvernietiging?

    Als consument kom je dagelijks in contact met producten die afkomstig kunnen zijn uit bosvernietiging. Het betreft niet alleen het gebruik van hout en papier, maar ook bijvoorbeeld palmolie en vlees. Algemeen kan je als consument minder vlees eten en minder papier verbruiken. Kies indien mogelijk altijd voor gerecycleerd papier. Je kan kiezen voor hout en papier-producten met een FSC-label. Met jouw steun kan Greenpeace druk zetten op bedrijven en politici om hun beleid te wijzigen.

  • Biedt het FSC-label nog een garantie op duurzaam hout?

    Forest Stewardship Council (FSC) is een ngo met hoofdkwartier in Duitsland. De organisatie werd in 1993 opgericht op initiatief van milieuorganisaties uit 25 landen om het verantwoord beheer van tropische bossen te bevorderen. De zogenaamde FSC-standaard voor verantwoord bosbeheer brengt sociale, milieu en economische belangen in balans.

    Greenpeace raadt consumenten aan om producten te kopen met een FSC-label omdat de producten die zo'n label dragen afkomstig zouden moeten zijn van bosexploitaties die aan strikte sociale ecologische en sociale criteria voldoen. In vergelijking met andere certificeringssystemen biedt het FSC-logo de meeste mogelijkheden en garanties om dit te verifiëren.

    Toch is het FSC-certificeringssysteem verre van perfect. Het aantal FSC-gecertificeerde bedrijven en het aantal producten met FSC-logo is de jongste jaren erg snel gestegen, wat de integriteit van het systeem niet altijd ten goede kwam. In een groeiend aantal gevallen wordt het FSC-label toegekend aan producten en voor exploitaties waar niet werd voldaan aan de strikte sociale en ecologische criteria die FSC beweert te verifiëren.

    Greenpeace blijft voorlopig lid van FSC om op die manier actief op de zwakke plekken in het systeem te wijzen. We hopen dat FSC zijn werking kan verbeteren en zijn integriteit kan behouden, of in sommige gevallen herstellen. Als bedrijven ten onrechte het FSC-label hebben gekregen, bestaat daarvoor binnen FSC een klachtensysteem waar ook Greenpeace regelmatig gebruik van maakt.

INDONESIË  
  • Hoe is het gesteld met de Indonesische bossen?

    Indonesië heeft het hoogste ontbossingstempo ter wereld: elk jaar verdwijnt 2 procent van het bosoppervlak. De voorbije 50 jaar ging er bijna 74 miljoen hectare regenwoud verloren, dat is een gebied tweemaal zo groot als Duitsland. Als er geen radicale maatregelen genomen worden om het bos te beschermen, zal 98 procent van het woud verdwenen zijn tegen 2022, zo heeft het VN-milieuprogramma (UNEP) becijferd. Zowel de palmolie- als de papierindustrie willen hun productie uitbreiden in veenmoerassen en natuurlijke bossen.

  • Hoe belangrijk is het Indonesische regenwoud voor de biodiversiteit?

    Indonesië is één van de landen met de grootste verscheidenheid aan planten- en diersoorten ter wereld. Heel veel soorten komen enkel in de Indonesische bossen voor. Zowel de bossen als de veengebieden in Indonesië herbergen verschillende bedreigde soorten als de orang-oetan en de Sumatraanse tijger. Er moet dringend meer gebeuren om hun habitat te redden, anders dreigen ze uit te sterven.

  • Hoe belangrijk is het Indonesische regenwoud voor het klimaat?

    De veenmoerassen van Sumatra zijn essentieel om de klimaatverandering te stoppen. Het vernietigen en draineren van deze veenmoerassen is de belangrijkste oorzaak van de enorm hoge emissies van broeikasgassen in Indonesië. Enkel China en de VS stoten meer uit. Als veengebied opdroogt, blijven er tot 150 jaar lang broeikasgassen vrijkomen. Jaarlijks belandt ongeveer 1,8 miljard ton aan broeikasgassen in de atmosfeer door bosdegradatie en bosbranden in Indonesische veengebieden. Dat komt overeen met 4 procent van de wereldwijde uitstoot en dat afkomstig van minder dan 0,1 procent van het aardoppervlak.

  • Hoeveel mensen zijn op de een of andere manier aangewezen op Indonesiës bossen?

    Naar schatting 60 tot 90 miljoen Indonesiërs zijn afhankelijk van het woud. De vernietiging van de bossen voor hout, papierpulp en palmolie leidt tot veel conflicten met de inheemse bevolking en lokale gemeenschappen. Theoretisch heeft de autochtone bevolking in Indonesië het recht om alles te controleren wat zich op hun grond afspeelt. In de praktijk echter worden hun rechten regelmatig geschonden door de regering en door de industrie, die de bossen willen omzetten in plantages.

    In Sumatra leven de gemeenschappen van de Teluk Meranti en Talang Mamak, en van de Orang Rimba van de natuurlijke rijkdom die het woud hen biedt. De bossen worden echter meer en meer vernietigd voor de uitbreiding van plantages voor papierpulp, vooral in de provincies Riau en Jambi.

  • Waarom zijn de Indonesische veenmoerassen zo belangrijk?

    Hoewel veenmoerassen slechts 3 procent van het aardoppervlak beslaan, houden ze aanzienlijke hoeveelheden koolstof vast. Op die manier zijn ze cruciaal in de strijd tegen de klimaatverandering. Een vijfde tot een derde van alle koolstof in de biosfeer ligt opgeslagen in deze gronden. Indonesië heeft ongeveer 22,5 miljoen hectare veenmoeras. 40 procent hiervan bevindt zich op het eiland Sumatra. Sommige van deze moerassen hebben een diepte tot 15 meter en behoren tot de diepste ter wereld. De vernietiging van deze veenmoerassen is de belangrijkste oorzaak waarom Indonesië verantwoordelijk is voor een kwart van de uitstoot uit ontbossing.

  • Hoe erg is het met de Sumatraanse tijger gesteld?

    De rode lijst van bedreigde diersoorten van de IUCN noemt de Sumatraanse tijger “kritiek bedreigd”. Volgens recente schattingen leven er nog maar 400 tot 500 van deze tijgers in het wild. In de provincie Riau (Sumatra), die de hoogste ontbossingsgraad heeft, viel het aantal tijgers met 70 procent terug in de voorbije 25 jaar. De Sumatraanse tijger verliest jaarlijks bijna 6 procent van zijn habitat aan oprukkende palmolie- en acaciaplantages. Als daar geen einde aan komt, zou de Sumatraanse tijger kunnen uitsterven, zoals dat reeds het geval is voor de Javaanse en Balinese tijger.

  • Hoe erg is het met de orang-oetan gesteld?

    De rode lijst van bedreigde diersoorten noemt de orang-oetan van Borneo “bedreigd” en de orang-oetan van Sumatra “kritiek bedreigd”. Recente schattingen gewagen van 45.000 tot 69.000 orang-oetans in Borneo en niet meer dan 7.300 op Sumatra.

  • Wat zijn de belangrijkste drijfveren achter de ontbossing in Indonesië?

    De Indonesische regering wijst de productie van palmolie en papierpulp (grondstof voor papier) aan als de twee belangrijkste drijfveren achter de ontbossing. Samen met de houtkap en de ontginning van steenkool hebben deze industrieën een verwoestende impact op de bossen en leiden ze tot een hogere uitstoot van broeikasgassen.

  • Wat is het aandeel van de palmolie-industrie in de vernietiging van de Indonesische bossen?

    Indonesië telt in totaal 6 miljoen hectare aan palmolieplantages. De Indonesische regering heeft plannen voor de uitbreiding van de palmolie-industrie met 4 miljoen hectare tegen 2015. De provinciale autoriteiten spreken zelfs van 20 miljoen hectare. Daarom eist Greenpeace van de Indonesische regering een moratorium op de uitbreiding van deze industrie. We pleiten voor een beter grondgebruik zodat nieuwe plantages in reeds gedegradeerd gebied worden ingeplant. Ook moet men kiezen voor een hogere productie in bestaande plantages in plaats van nieuwe concessies uit te reiken.

  • Welke bedrijven zijn rechtstreeks betrokken bij de ontbossing in Indonesië?

    Het gaat in de eerste plaats om Indonesische ondernemingen in de palmolie- en papiersector. Het grootste bedrijf, Sinar Mas, is een groep die niet enkel de activiteiten in deze twee sectoren controleert, maar ook betrokken is bij industriële bosontginning, onder andere voor papierfabrieken. Daarnaast heeft Sinar Mas onder meer ook een aanzienlijk aandeel in de steenkoolontginning.

  • Hoe staat de Indonesische regering tegenover de ontbossing?

    De Indonesische president Susilo Bambang Yudhoyono heeft duidelijk laten weten dat hij iets wil doen aan de ontbossing in zijn land. Hij maakte zich in de aanloop naar de klimaattop in Kopenhagen (2009) sterk dat Indonesië tegen 2020 zijn broeikasgasuitstoot met 26 procent kan terugdringen, en met 41 procent met voldoende internationale ondersteuning.

    Daarop maakte Noorwegen 1 miljard dollar vrij voor Indonesië. Helaas verlopen de gesprekken tussen beide landen over de precieze voorwaarden zeer traag. Zelfs nu Indonesië in mei 2011 eindelijk het moratorium aankondigde dat Noorwegen vroeg, is het onduidelijk of Noorwegen uiteindelijk met zoveel geld over de brug zal komen. Indonesië lijkt in de praktijk nog altijd niet bereid om de nodige maatregelen te treffen om de ontbossing echt een halt toe te roepen want het moratorium laat momenteel toe dat nog bijna 40 miljoen hectare bos in plantages kan worden omgezet.

  • Is de papierproductie elders in de wereld even verwoestend als in Indonesië?

    Er zijn ook oerwouden in onder meer Noord-Europa, Rusland en Canada die vernietigd worden voor de productie van papier. Daarnaast zijn er ook industriële plantages die geen voordeel opleveren voor het milieu, de biodiversiteit of de lokale gemeenschappen in landen als Brazilië, Spanje en Portugal. Maar de belangrijkste drijfveren achter ontbossing verschillen wel voor elk land. Weinig landen hebben zoveel uitgestrekte veenmoerassen als Indonesië.

  • Wordt er in Indonesië ook woud vernietigd om plaats te maken voor palmolieplantages?

    Ja. In Indonesië worden dikwijls eerst de meest kostbare bomen gekapt. Daarna bouwt men een netwerk van kanalen om de stammen weg te halen en de veenmoerassen te draineren. Zo wordt de bodem geschikt voor de aanleg van palmolie- of acaciaplantages (voor de productie van papier). Wat nog blijft rechtstaan, wordt gekapt, waardoor de veenmoerassen nog verder uitdrogen. Hoewel het in Indonesië verboden is veenmoerassen dieper dan 3 meter te draineren, lapt de industrie deze wet geregeld aan zijn laars. Vaak worden bossen afgebrand, hoewel ook dat verboden is, met een enorm hoge uitstoot van broeikasgassen tot gevolg.

    Door de stijgende vraag naar palmolie wereldwijd, onder andere voor de productie van biobrandstoffen, vallen nu langzamerhand ook de laatste Afrikaanse oerwouden ten prooi aan de palmolie-industrie.

  • Kan ik als consument weten of ik via palmolie bijdraag tot de vernietiging van regenwoud?

    Dat is moeilijk want veel voedings-, onderhouds- en schoonheidsproducten bevatten palmolie, maar de informatie staat niet altijd vermeld op het etiket. Greenpeace is niet tegen de productie of het gebruik van palmolie als die niet leidt tot ontbossing. Ook andere plantaardige oliën, bijvoorbeeld op basis van soja, hebben vaak een link hebben met ontbossing. Het is immers goedkoper om bossen te vernietigen dan om het rendement van bestaande plantages te verbeteren. Daarom eist Greenpeace moratoria om tijdelijk de verwoesting te stoppen en de kans te geven aan de betrokken sectoren om op een duurzame manier te groeien.

    Zelfs het vervangen van palmolie door andere plantaardige vetten in Europa is geen garantie dat het probleem van ontbossing wordt opgelost. Stel bijvoorbeeld dat een sector palmolie vervangt door koolzaadolie, dan zal er minder koolzaadolie beschikbaar zijn voor andere sectoren, die op hun beurt gedwongen zijn om koolzaadolie te vervangen door... palmolie. De enige manier om er zeker van te zijn dat palmolie niet langer een drijfveer is achter de ontbossing, is ervoor te zorgen dat de producenten hun plantages niet uitbreiden ten koste van natuurlijke bossen.

  • Volstaan de criteria van RSPO om de productie van palmolie duurzamer te maken?

    Verschillende bedrijven gebruiken het charter van de Roundtable on Sustainable Palm Oil (RSPO) als een manier om zich een “groen” imago aan te meten, terwijl hun producenten blijven regenwoud en veenmoeras vernietigen. De normen van RSPO bevatten onvoldoende garanties om de ontbossing te vermijden. Meer zelfs, deze normen worden vaak met de voeten getreden door de palmolieproducenten. RSPO kan slechts het verschil maken als deze normen worden versterkt en afgedwongen. Je kan hier lezen hoe bijvoorbeeld United Plantations in Maleisië wegkwam met grove schendingen van de RSPO normen.

  • Hoe staat Greenpeace tegenover biobrandstoffen?

    Theoretisch gezien zouden biobrandstoffen een beperkte rol kunnen spelen in de strijd tegen de klimaatverandering, door de uitstoot in de transportsector te doen dalen. Dan zijn er wel strikte criteria nodig. In de praktijk wordt de rol van biobrandstoffen overdreven. Zonder strikt kader kunnen ze zelfs ronduit schadelijk zijn voor het klimaat. Ze kunnen ook zwaar wegen op de voedselprijzen. Om de uitstoot in de transportsector echt te doen dalen, moeten we voertuigen zuiniger en efficiënter maken, en evolueren naar een koolstofarme en energiezuinige mobiliteit.

    Greenpeace wil dat subsidies of belastingverlagingen van regeringen voor het gebruik van palmolie bij de productie van biomassa of biobrandstoffen worden geschrapt. De duurzaamheidscriteria van onze regeringen moeten sterk genoeg zijn om te garanderen dat elk product dat rechtstreeks en onrechtstreeks uit ontbossing komt, wordt uitgesloten.

  • Heeft Indonesië recht op geld in het kader van REDD, het bossenmechanisme van het klimaatakkoord?

    In het kader van de VN-klimaatonderhandelingen wil men een bijzonder mechanisme opzetten voor de bescherming van bossen. Op de klimaattop van Bali in december 2007 werden de eerste stappen gezet en in december 2010 werd hierover een akkoord gesloten in Cancun. Het mechanisme, beter bekend als REDD (Reduced Emissions from Degradation and Deforestation), wil de uitstoot van broeikasgassen terugdringen door te strijden tegen bosdegradatie en ontbossing.

    Alle beboste ontwikkelingslanden kunnen toegang krijgen tot het nog op te richten fonds in het kader van REDD. Sinds de klimaattop in Kopenhagen (2009) werd er al geld ter beschikking gesteld voor ontwikkelingslanden, hoewel dat nog verre van voldoende is om de bossen te beschermen.

    Indonesië krijgt financiële steun van de Wereldbank, UN-REDD en meerdere individuele donorlanden. Noorwegen wil zelfs 1 miljard dollar op tafel leggen als Indonesië beslist om niet langer bossen in plantages om te zetten, onder andere door een moratorium van twee jaar in te stellen. De vraag is nu of het in mei 2011 door Indonesië voorgestelde moratorium, dat ruimschoots ontoereikend is, genade zal vinden in de ogen van de Noren.

Op deze pagina