Vraag & antwoord

Waarom voert Greenpeace actie tegen kernenergie gekant, is kernenergie dan geen goede oplossing voor het klimaatprobleem en kunnen we in België wel volledig afstappen van kernenergie?

Een overzicht van veelgestelde vragen en antwoorden.

Enkele veelgestelde vragen over kernenergie  
  • Wat is kernenergie?

    Kernenergie is de energie die vrijkomt bij het splijten van uraniumatomen. Dit kan ongecontroleerd gebeuren, zoals bij de explosie van een atoombom, waarbij immense hoeveelheden energie vrijkomen in de vorm van hitte (thermische energie), drukgolf (kinetische energie) en radioactiviteit (stralingsenergie). Men kan ook trachten om het kernsplijtingsproces te sturen en onder controle te houden. De hitte die daarbij vrijkomt, kan dan gebruikt worden om water op te warmen en stoom te maken waarmee een turbine aangedreven wordt die op haar beurt elektriciteit produceert. Dit is wat er in een kerncentrale gebeurt.

    Bij een kerncentrale is het de bedoeling dat de hitte van de kernsplijting nuttig gebruikt wordt om elektriciteit te maken en de gevaarlijke radioactieve straling die daarbij vrijkomt niet in de omgeving terechtkomt. Als de uraniumbrandstof in de kernreactor bestraald wordt ontstaat er radioactief afval dat hermetisch van de leefomgeving moet worden afgesloten.

  • Waarom is radioactiviteit gevaarlijk?

    Radioactieve stoffen zenden ioniserende straling uit die de eigenschap heeft dat ze de structuur kan veranderen van de materie waarin ze doordringt. Een voldoende hoge dosis radioactieve straling zal alle levend weefsel vernietigen. Bij lagere dosissen kan de schade aan het celweefsel soms spontaan hersteld worden. Wanneer dit niet gebeurt, zal de cel niet langer in staat zijn normaal te functioneren of zich te delen. Zo kan radioactieve straling die doordringt in het celweefsel van ons lichaam het normale celdelingsproces ontregelen. Wanneer zo'n bestraalde cel zich na verloop van tijd (dit kan pas jaren later zijn) gaat splitsen, doet ze dit niet zoals normaal in twee dochtercellen, maar gaat ze plots ongeremd gewijzigde dochtercellen produceren. De tumor die daarbij ontstaat is kanker.

    Naast onmiddellijke of vertraagde effecten voor het rechtstreeks getroffen individu, kan radioactieve straling ook de toekomstige generaties belasten. Als bijvoorbeeld de structuur van iemands erfelijk materiaal als gevolg van radioactieve straling beschadigd wordt, zal die persoon misvormde genen doorgeven aan zijn nakomelingen. Dit kan leiden tot geboorteafwijkingen die zich mogelijk pas na de tweede of derde generatie manifesteren. Radioactieve straling tast op die manier de genetische integriteit van alle levende wezens aan.

    Hoewel er nog steeds discussie is over de precieze impact van bepaalde soorten radioactieve straling, wordt officieel het lineaire dosis-gevolg model gevolgd. Dit gaat er van uit dat elke extra stralingsdosis die men ontvangt de risico's op schadelijke gevolgen vergroot. Hierbij is er geen drempelwaarde waaronder radioactieve straling onschadelijk zou zijn.

  • Straling is toch een natuurlijk verschijnsel waar iedereen voortdurend aan blootstaat?

    Inderdaad. Zo zijn bijvoorbeeld de genetische mutaties die geleid hebben tot het feit dat vissen vinnen kregen en vogels vleugels mede het gevolg van de natuurlijke radioactieve achtergrondstraling om ons heen. Zo is er de natuurlijke straling uit de ruimte, waardoor iemand die met een vliegtuig op 10.000 meter hoogte een trans-Atlantische vlucht maakt een kleine extra dosis ontvangt. Ook uit de bodem stijgen radioactieve gassen op, bijvoorbeeld radongas.

    Het is echter fout om deze natuurlijke straling als onschadelijk af te schilderen. Zowat 10 procent van de 7.400 longkankers die jaarlijks in ons land voorkomen, worden officieel toegeschreven aan het natuurlijke radioactieve radongas uit de bodem. Daarmee is de natuurlijke achtergrondstraling, na roken, de tweede oorzaak van longkanker in ons land. Elke extra dosis die je als gevolg van routinematige of accidentele lozingen van radioactieve stoffen door de kernenergiesector bovenop deze natuurlijke achtergrondstraling krijgt, verhoogt op haar beurt het risico op stralingsgebonden aandoeningen.

    Ook in de geneeskunde wordt gebruik gemaakt van radioactieve straling, onder andere bij radiografieën of bij de behandeling van tumoren. Door zeer gericht de juiste stralingsdosis op kankercellen te richten, kan men de kankercellen doodstralen, waardoor verdere uitzaaiing vermeden of vertraagd kan worden. Het kwaad van radioactieve straling wordt hier gebruikt om een nog groter kwaad te bestrijden. Maar ook binnen de medische sector is de grootste omzichtigheid geboden. Zo zal bijvoorbeeld vermeden worden om radiografieën te nemen van de buik van een zwangere vrouw, omdat de celdeling van foetussen bijzonder gevoelig is voor de mutaties die de X-stralen kunnen veroorzaken.

  • Waarom is Greenpeace tegen kernenergie gekant?

    Om te beginnen is kernenergie is geen duurzame energiebron. Het legt een zware hypotheek op het welzijn en de gezondheid van huidige en toekomstige generaties. In zowat iedere stap van de nucleaire keten (ontginning van uraniumerts, verrijking van het uranium, aanmaak van kernbrandstof, de stroomopwekking in de kerncentrale, de verwerking van radioactief afval) worden aanzienlijke hoeveelheden radioactieve stoffen in de leefomgeving geloosd. Sommige van die stoffen zijn extreem radiotoxisch en blijven eeuwig straling uitzenden. Voor het radioactieve afval dat in kerncentrales geproduceerd wordt, bestaat nergens ter wereld een veilige oplossing. Het moet gedurende honderdduizenden jaren veilig van de biosfeer worden afgesloten. Dit is langer dan de de mens op aarde rondloopt.

    Bovendien zijn kerncentrales gevaarlijk. Een ongeval in een reactor waarbij het reactorvat en de beschermende koepel rond het reactorgebouw beschadigd wordt, leidt tot de radioactieve besmetting van grote gebieden. Zeker in dichtbevolkte landen, zoals België, is dit problematisch. Een ernstig ongeval kan in elk reactortype, in elk land en op ieder ogenblik plaatsvinden. Een inherent veilige kerncentrale bestaat niet. Sinds 9/11 komt daar een nieuwe dreiging bij, namelijk de moedwillige aanval op een nucleaire installatie. Het is onmogelijk om een kerncentrale, een opslagplaats voor radioactief afval of een nucleair transport tegen terroristische aanslagen te beveiligen.

    Kernenergie werkt ook de verspreiding van atoomwapens in de hand. Ieder land met een nucleair programma voor burgerdoeleinden beschikt over de nodige grondstoffen, de technologische knowhow en voldoende geschoold personeel om op korte termijn een atoomwapen te maken. Splijtstoffen uit de kerncentrales, zoals plutonium, zijn iets minder geschikt maar wel bruikbaar voor het maken van atoomwapens. Bovendien is het heel eenvoudig om met radioactief materiaal uit kerncentrales een “vuile bom” te maken. Deze bestaat uit klassieke springstoffen, waar radioactieve materialen rond zijn bevestigd. Zo'n bom kan een aanzienlijke oppervlakte radioactief besmetten.

    We mogen niet vergeten dat kernenergie een marginale energiebron blijft. Slechts een dertigtal landen in de wereld maken er gebruik van. Dit zijn bijna allemaal rijke landen uit het noorden. In het arme zuiden zijn de enige landen die een kerncentrale hebben niet toevallig landen die een atoombom ontwikkeld hebben of ooit die ambitie hadden. In de jaren 1950 werd gezegd dat kernenergie de hele wereld en vooral de armste landen van overvloedig veel en goedkope energie zou voorzien. Maar die belofte werd nooit gerealiseerd. Vandaag wordt op wereldschaal slechts 13 procent van de elektriciteit en 5,5 procent van alle commerciële energie door middel van kerncentrales opgewekt en dit aandeel slinkt ieder jaar. Hernieuwbare energiebronnen wekken al meer energie op dan kerncentrales.

  • Is kernenergie geen goede oplossing voor het klimaatprobleem?

    Kernenergie maakt geen deel uit van de oplossing voor de klimaatverandering, maar wel van het probleem. Tijdens de kernsplijting in kerncentrales wordt op zich geen CO2 geproduceerd, maar in vrijwel alle andere stappen van de nucleaire keten wel, bijvoorbeeld bij de ontginning en de verrijking van uraniumerts. Kernenergie produceert over volledige keten beschouwd minder broeikasgassen dan elektriciteitcentrales op basis van fossiele brandstoffen, maar veel meer dan hernieuwbare energiebronnen.

    Kernenergie produceert enkel elektriciteit en kan dus enkel impact hebben op het verminderen van de CO2-uitstoot binnen deze ene sector. In België is de elektriciteitssector verantwoordelijk voor ongeveer 20 procent van de totale CO2-uitstoot. Om de wereldwijde CO2-uitstoot tegen 2050 met amper 6 procent te laten dalen, moet het huidige aantal van 436 commerciële kernreactoren verviervoudigd worden. Dit is véél te laat en véél te weinig. Bovendien is het onrealistisch als we zien dat de kostprijs van de nieuwste generatie kernreactoren meer dan 5 miljard euro per stuk bedraagt.

  • Wat gebeurt er met het kernafval?

    In iedere stap van de nucleaire keten wordt radioactief afval geproduceerd. Een deel wordt rechtstreeks in het milieu geloosd en een ander deel wordt geconditioneerd en opgeslagen. Gemeten aan de radioactiviteit is ongeveer 99 procent van alle kernafval in ons land afkomstig van kernenergie. De rest komt voort uit andere toepassingen van de nucleaire technologie, bijvoorbeeld de geneeskunde en industrie. Het kernafval uit de medische en industriële sectoren is meestal laag-radioactief en kortlevend en vormt daarom veel minder een probleem dan het afval van de kerncentrales. Vooral het hoogradioactieve en langlevende afval uit de kerncentrales (de gebruikte reactorbrandstof) is extreem radioactief en blijft dit ook gedurende honderdduizenden jaren. Dé grote uitdaging bestaat erin om een technologie te ontwikkelen die kan garanderen dat dit eeuwig gevaarlijke afval gedurende die ganse astronomische tijdspanne hermetisch van de biosfeer wordt afgesloten. Nergens ter wereld bestaat momenteel een concept of technologie die dit kan garanderen.

    In België wordt al 30 jaar onderzoek verricht naar de mogelijkheid om het hoogradioactief afval van de kerncentrales definitief en onomkeerbaar diep onder de grond te stoppen. Wetenschappers gaan ervan uit dat in de meest gunstige omstandigheden de kunstmatige barrière (de verpakking van staal, koper en beton) rond het kernafval hooguit 10.000 jaar zal standhouden. Maar alleen al bijvoorbeeld het uiterst radiotoxische plutonium in het kernafval heeft 244.000 jaar nodig om zijn radioactiviteit te verliezen. Daarom wordt er gerekend op een tweede barrière om de migratie van de radio-isotopen naar de biosfeer te vertragen. In ons land zijn dit de ondergrondse kleilagen op zo'n 200 meter diepte in de Kempen. Onderzoek van onafhankelijke geologen heeft echter aangewezen dat deze kleilaag helemaal niet homogeen is en zich te dicht bij zeer watervoerende zandlagen bevindt. Indien dit concept het toch zou halen, is de vraag niet of het geborgen kernafval ooit opnieuw in de biosfeer terecht zal belanden, maar wel wanneer.

  • Wat moet er volgens Greenpeace met het kernafval gebeuren?

    Het is onverantwoord om verder kernafval te produceren als er geen gegarandeerd veilige oplossing voor dit afval bestaat. Daarom moet in de eerste plaats gestopt worden met de productie van hoogradioactief en langlevend afval. Dit betekent dat de kerncentrales moeten gesloten worden. Als de levensduur van de zeven Belgische kernreactoren met tien jaar wordt verlengd, dan zal de hoeveelheid hoogradioactief en langlevend kernafval in ons land met een kwart toenemen.

    Het reeds geproduceerde afval moet beveiligd worden opgeslagen op een manier die de meest mogelijke garanties biedt voor:

    - de bescherming van werkers, inwoners en milieu tegen de impact van radioactieve straling;
    - de controle- en inspectiemogelijkheden, zodat steeds kan worden nagegaan of de verpakkingen nog intact zijn en er geen radioactiviteit in de omgeving terechtkomt;
    - de recupereerbaarheid van het afval, zodat als er ooit een beter beheersconcept of een technologie zou ontwikkeld worden om radioctiviteit te neutraliseren, deze ook nog kan worden toegepast op het afval;
    - afscherming tegen intrusie door onbevoegden.

    Zolang een land kerncentrales uitbaat is het voor Greenpeace onaanvaardbaar dat het zijn kernafval exporteert naar andere landen. Ook opwerking van gebruikte reactorbrandstof in andere landen moet daarom gestopt worden.

  • Wat is het risico op een kernramp?

    Risico's exact inschatten is niet eenvoudig. Binnen de verzekeringswereld worden risico's berekend in functie van twee variabelen: de probabilistische kans op een ongeval vermenigvuldigd met de impact van het ongeval. Op basis hiervan besloten de verzekeringsmaatschappijen om de schade van nucleaire ongevallen niet in hun polissen te dekken.

    Kansberekeningen verricht door de nucleaire sector leggen de kans op een ernstig kernongeval (kernsmelting) ergens tussen de één per honderdduizend reactorjaren en de één per miljoen reactorjaren (reactorjaren = het aantal reactoren maal het aantal jaren dat ze operationeel zijn). Die kans is dus bijzonder klein. Alhoewel, de kans dat je het groot lot bij de lotto wint bedraagt ongeveer één op vijf miljoen. De kans op een ernstig kernongeluk is dus vijf tot vijftig keer groter dan dat je de hoofdprijs bij de lotto wint. Toch spelen wekelijks vele duizenden mensen op de lotto en is er geregeld een winnaar.

    Ondanks die zeer kleine kans hebben we de afgelopen 30 jaar wel al 5 kernsmeltingen meegemaakt: éénn in Three Miles Island (1979), één in Tsjernobyl (1986) en drie in Fukushima (2011). Bovendien zijn de gevolgen van zo'n kernranp immens groot. Geen enkele andere industriële ramp heeft een dergelijke impact als een kernramp. De gevolgen blijven niet beperkt tot de onmiddellijke omgeving, maar verspreiden zich over duizenden kilometers. Bovendien blijven de effecten ook heel lang nawerken. Zo mogen 25 jaar na de ramp in Tsjernobyl radioactief besmette weilanden in Schotland en Wales (meer dan 2000 km verderop) nog steeds niet door schapen begraasd worden.

    De sociale, economische en ecologische kostprijs van een kernramp zijn zo gigantisch dat als we ze vermenigvuldigen met de op het eerste zich bijzonder lage probabilistische kans op een ongeval, het risico gewoonweg onaanvaardbaar is. Vanaf het prille begin van de kernenergie heeft men dit begrepen en hebben de overheden de private investeerders en operatoren van kerncentrales vrijgesteld van aansprakelijkheid in het geval zich een kernramp zou voordoen. Als de kans op een kernramp zo klein is en het risico veilig genoeg geacht wordt om kerncentrales in te planten vlakbij dichtbevolkte gebieden, waarom is het risico voor de verzekeringsmaatschappijen dan te groot om de mogelijke schade te dekken en waarom moeten operatoren van kerncentrales dan geen volledige aansprakelijkheid dragen?

  • Waarom voert Greenpeace actie tegen nucleaire transporten?

    Transporten met gebruikte reactorbrandstof houden grote potentiële risico's in, zeker als ze zoals in België onvermijdelijk door dichtbevolkte gebieden en stedelijke agglomeraties trekken. Zolang er geen gegarandeerd veilige verwerkingsmethode voor het hoogradioactieve afval bestaat, moet men het afval ook niet rondsturen.

    Een treintransport met gebruikte reactorbrandstof vervoert evenveel radioactiviteit als de totaliteit van de straling die vrijkwam in Tsjernobyl. Zo heeft de trein die in juni 2011 hoogradioactieve gebruikte reactorbrandstof van de Nederlandse kerncentrale van Borssele doorheen België naar de Franse opwerkingsfabriek in La Hague transporteerde, een vergunning om 1.953 petaBecquerel aan radioactiviteit te vervoeren. Indien zich met een dergelijk transport een ernstig ongeval voordoet in de buurt van een grote stad, dan zijn de gevolgen dramatisch.

  • Wat houdt de wet op de kernuitstap precies in?

    Op 7 juli 1999 dook de kernuitstap voor het eerst op als beleidsintentie in het paars-groene regeerakkoord van Verhofstadt I. Op 31 januari 2003 werd na lange debatten in het parlement de wet op de kernuitstap goedgekeurd.

    De wet houdt in dat de zeven commerciële kernreactoren in België (4 in Doel en 3 in Tihange) ten laatste na 40 jaar operationele dienst moeten gesloten worden. Concreet betekent dit dat de drie oudste en tevens kleinste reactoren Doel 1, Doel 2 en Tihange 1 in 2015 dicht moeten. Dan wordt een kleine pauze ingelast, want de volgende reactor, Doel 3, wordt pas 40 jaar in 2022, gevolgd door Tihange 2 in 2023 en tot slot de laatste twee reactoren, Doel 4 en Tihange 3 in 2025. De wet op de kernuitstap houdt dus een zeer geleidelijke sluiting van de kerncentrales in die aanvangt in 2015 en eindigt in 2025.

    Tussen het opstellen van het regeerakkoord van 1999 en het sluiten van de laatste reactoren in 2025 ligt een tijdspanne van een kwarteeuw, wat mits een afgestemd beleid ruim voldoende is om die sluiting probleemloos te laten verlopen. Als het in die tijd niet lukt om de kerncentrales overbodig te maken, is dat geen kwestie meer van technische of economische problemen, maar enkel en alleen van manifeste politieke onwil. Dit is belangrijk, want artikel 9 van de wet op de kernuitstap laat een opening om de levensduur van de kerncentrales te verlengen als de stroomvoorziening van het land acuut in het gedrang zou komen. Sommigen grijpen deze uitzondering aan om te beweren dat het licht zal uitgaan als de eerste drie reactoren in 2015 gesloten worden. Onderzoek maakt evenwel duidelijk dat er in 2015 absoluut geen bevoorradingstekort zal zijn en dat niet alleen zoals gepland de kerncentrales, maar ook de vervuilende steenkoolcentrales kunnen gesloten worden. Zie het rapport Road book towards a nuclear-free Belgium

  • Waarom verzet Greenpeace zich tegen een levensduurverlenging van de kerncentrales?

    De kernreactoren van Doel en Tihange behoren tot de tweede generatie. Ze werden ontworpen in de jaren 1950-1960 uit een oorspronkelijk militair reactorconcept om duikboten aan te drijven. Begin jaren 1970 werden ze gebouwd. Dit gebeurde met de technologie, de knowhow en de inzichten van toen. Ter illustratie: in die tijd werkten computers nog met ponskaarten. Bij de bouw kregen ze van de ingenieurs een ontwerpleeftijd van 30 jaar mee. Volgens de wet op de kernuitstap mogen ze 40 jaar lang operationeel blijven, wat dus eigenlijk al een leeftijdsverlenning van 10 jaar inhoudt.

    Vanaf een leeftijd van ongeveer 20 jaar begint er slijtage in reactorcomponenten op te treden. Vaak is dit in de binnenstructuur van materialen of op moeilijk bereikbare plaatsen of op plaatsen waar zeer sterke straling is, zodat detectie van de verouderingsverschijnselen zelfs door middel van doorgedreven inspecties niet altijd eenvoudig is. Wereldwijd is er bijzonder weinig ervaring met grote kerncentrales die ouder zijn dan 40 jaar. De gemiddelde leeftijd waarop kernreactoren gesloten worden is 22 jaar. Van de 437 commerciële kernreactoren die in april 2011 operationeel waren, hebben er amper 12 de leeftijdsgrens van 40 jaar overschreden. De oudste operationele kernreactor vandaag is 43 jaar. Zie het rapport Russische roulette: de risico’s van levensduurverlenging van kerncentrales

    Naast het verhoogde risico op een kernramp zorgt een levensduurverlenging van de kerncentrales er ook voor dat de noodzakelijke transitie naar een duurzaam energiesysteem wordt uitgesteld. De grote gecentraliseerde en niet-flexibele kerncentrales en steenkoolcentrales staan de uitbouw van een nieuw elektriciteitsysteem gebaseerd op flexibele, gedecentraliseerde en hernieuwbare energiebronnen in de weg.

  • Maakt Greenpeace geen misbruik van de ramp in Fukushima om de kerncentrales in België te sluiten?

    De boodschap die Greenpeace na Fukushima verkondigde is precies dezelfde als diegene die ze voor de kernramp verkondigde, namelijk dat een ernstige kernramp kan plaatsvinden in ieder reactortype, in elk land en op om het even welk ogenblik. Er bestaat niet zoiets als een veilige kerncentrale en daarom is het zeker in dichtbevolkte gebieden onaanvaardbaar om kerncentrales te bouwen. De ramp in Fukushima heeft dit – jammer genoeg - alleen maar bevestigd.

  • Overdrijft Greenpeace niet als het waarschuwt voor het stralingsgevaar in Fukushima?

    Snel na de kernramp in Japan heeft Greenpeace een team van stralingsdeskundigen ter plaatse gestuurd. Greenpeace was de eerste die gegevens over de radioactieve besmetting van zowel het zeeleven (met ons schip de Rainbow Warrior II), de omgeving rond de kerncentrale, als van basisvoedselproducten bekend maakte. Greenpeace heeft zich hier allesbehalve alarmistisch opgesteld. Bewijs hiervan is dat de Japanse overheid telkens kort na de bekendmaking van de meetgegevens door Greenpeace de resultaten schoorvoetend bevestigde en er vervolgens de noodzakelijke beschermingsmaatregelen aankoppelde. Zo bracht Greenpeace aan het licht dat de speelplaats van een school op grote afstand van de kerncentrale ernstig radioactief besmet was. De Japanse overheid heeft uiteindelijk de evacuatiezone, zoals door Greenpeace voorgesteld, uitgebreid tot 30 km. De Amerikaanse autoriteiten raadden hun landgenoten aan om een gebied tot 80 km van de kerncentrale te mijden.

    Een groot gebied rond de kerncentrale zal gedurende decennia tot eeuwen onbewoonbaar zijn of minstens onder toezicht blijven, met beperkingen voor bijvoorbeeld landbouw en visserij. De sociale en economische impact is onberekenbaar. Op menselijk vlak is het vandaag te vroeg om de effecten van de radiologische impact in te schatten. Het staat alleszins vast dat de straling van Fukushima op termijn zal bijdragen tot een toenemend aantal stralingsgebonden ziekten en overlijdens.

  • Waarom is België zo afhankelijk van kernenergie?

    Er zijn slechts 30 landen in de wereld die gebruik maken van kernenergie en slechts in 3 landen staat kernenergie in voor meer dan de helft van de stroomproductie. Dat blijkt uit cijfers van het World Watch Instituut. België behoort tot die uitzondering en haalt 52 procent van zijn elektriciteit uit kernenergie.

    De beslissing om 7 kernreactoren te bouwen werd in 1966 op één enkele ministerraad genomen en deze beslissing werd zonder enig politiek of maatschappelijk debat bevestigd. De intentie was om in het zog van Frankrijk een 100 procent nucleaire elektriciteitsvoorziening uit te bouwen. De enorme kostprijs was geen bezwaar. De overheid verleende de uitbaters van de kerncentrales grotendeels vrijstelling van aansprakelijkheid in geval er zich een kernramp zou voordoen. Bovendien kon Electrabel door zijn monopoliepositie de investeringskost eenvoudig doorrekenen aan de klanten. Een onafhankelijke instantie die toeziet op een correcte prijsvorming, zoals vandaag de CREG, bestond niet. Op die wijze slaagde Electrabel erin om zijn peperdure kerncentrales op 20 jaar tijd vervroegd te laten afbetalen door de Belgische consument. Dit had voor gevolg dat sindsdien de kilowattuurprijs voor de Belgische gezinnen steevast tot de drie hoogste van alle OESO-landen behoorde.

    Ook het elektriciteitsnet werd, op kosten van de consument, volledig uitgebouwd in functie van de gecentraliseerde en niet-flexibele grote kerncentrales die vanaf hun invoering instonden voor de basislast (het niet fluctuerende gedeelte van de elektriciteitsvraag/productie) van de stroomvoorziening. Dit laatste is erg belangrijk, want het betekent het volledige elektriciteitsysteem in ons land werd uitgebouwd in functie van de kerncentrales, waardoor het nadien niet eenvoudig werd om gedecentraliseerde energiebronnen een plaats te gunnen op het net. België bengelt sedert de keuze voor kernenergie dan ook steeds achteraan in het Europese peloton inzake de invoer van hernieuwbare energiebronnen. Zolang er geen zekerheid is over de gefaseerde sluiting van de kerncentrales blijven investeerders in nieuwe productiecapaciteit zeer terughoudend, want zij moeten nu plots op een vrijgemaakte elektriciteitsmarkt met nieuwe installaties de concurrentie aangaan met kerncentrales die tijdens de monopolieperiode werden gebouwd en op kosten van de consument werden afgeschreven.

    Na de kernramp in Tsjernobyl in 1986 kwam er in ons land een moratorium op nieuwe kerncentrales. De bouw van de achtste Belgische reactor in Doel werd afgeblazen. Maar ondertussen was het elektriciteitsysteem uitgebouwd in functie van de kerncentrales, waardoor er weinig in andere capaciteit werd geïnvesteerd en al zeker niet in energiebronnen die haaks staan op de grootschalige en eendimensionale aard van de kerncentrales. België heeft in de jaren 1960 verkeerd gegokt door volop te kiezen voor kernenergie. Dit omkeren is noodzakelijk, maar gaat niet vanzelf. Daarom dat in de wet op de kernuitstap beslist werd om de kerncentrales geleidelijk aan te sluiten en de laatste reactoren nog tot 2025 in dienst te houden. Dit maakt het perfect mogelijk om zonder energiebevoorradingsproblemen in voldoende vervangcapaciteit te voorzien.

  • Is de kernuitstap wel realistisch? Zal het licht niet uitgaan als in 2015 de oudste reactoren gesloten worden?

    De wet op de kernuitstap bepaalt dat de kernreactoren na 40 jaar gesloten worden. Dit betekent dat de 7 reactoren niet allemaal tegelijk dicht gaan, maar geleidelijk aan tussen 2015 en 2025. De eerste drie reactoren die aldus in 2015 dicht moeten, vertegenwoordigen een gezamenlijk vermogen van 1.787 MW (= een kleine 10 procent van het totale opgestelde stroomproductievermogen in ons land) en samen produceren ze op jaarbasis zo'n 14,5 TWh elektriciteit (= zo'n 16 procent van de effectieve stroomproductie in België).

    Greenpeace vroeg aan een onafhankelijk consultancybureau om te bestuderen of de sluiting van deze drie reactoren in 2015 onze bevoorradingszekerheid in gevaar zou brengen, zie Road book towards a nuclear-free Belgium. Het antwoord is zeer duidelijk: momenteel is er al voldoende vervangcapaciteit voorhanden om de sluiting van deze drie kernreactoren én daarbovenop de steenkoolcentrale van Mol (voorziene sluiting in 2014) op te vangen. De drie oudste kernreactoren produceren 14,5 TWh elektriciteit, terwijl sinds de aanname van de wet op de kernuistap in 2003 voor 27 TWh aan nieuwe productiecapaciteit operationeel werd. Dit “overschot” laat ruimte om een eventuele stijging van de energievraag op te vangen.

    Om ook de tweede fase van de kernuitstap (de vier overige reactoren sluiten tussen 2022 en 2025) probleemloos mogelijk te maken, zijn een aantal beleidsmaatregelen nodig, waaronder in de eerste plaats maatregelen om het stroomverbruik te verminderen en om nieuwe investeerders rechtszekerheid te bieden inzake de sluitingskalender van de kerncentrales. België heeft gelukkig nog een groot onaangeroerd energiebesparingspotentieel dat erg rendabel is en op korte termijn kan worden aangeboord. Op voorwaarde dat het beleid er daadwerkelijk werk van maakt.

    Net als in Duitsland, waar de regering besliste om tegen 2022 liefst 17 kernreactoren definitief te sluiten, zal de kernuitstap in België tegen 2025 onze bevoorradingszekerheid niet in gevaar brengen. Bovendien zullen de investeringen in energie-efficiëntie, alternatieve energiebronnen en slimme stroomnetten leiden tot heel wat duurzame jobs.

  • Is het niet beter om de kerncentrales langer open te houden en de winst daarvan te recupereren?

    Door de investeringskost door te rekenen in de kWh-prijs van de consument konden de kerncentrales op 20 jaar tijd worden afgeschreven. De wet op de kernuitstap bepaalt dat de reactoren 40 jaar lang mogen open blijven, wat Electrabel op de ondertussen vrijgemaakte energiemarkt natuurlijk een immens concurrentievoordeel geeft. Deze extra winsten worden “stranded benefits” genoemd en bedragen ongeveer 2 miljard euro per jaar. Eigenlijk komen deze winsten de Belgische burgers ten goede, maar ze blijven in handen van Electrabel. Momenteel betaalt GDF-Suez, dat Electrabel intussen heeft opgekocht, minder dan 250 miljoen euro per jaar aan de Belgische overheid als compensatie voor deze stranded benefits. Véél te weinig dus. Er is geen enkele reden om het optrekken van dit bedrag te koppelen aan een levensduurverlenging van de kerncentrales. Ook zonder levensduurverlenging is GDF-Suez/Electrabel de Belgische burger jaarlijks 2 miljard euro verschuldigd. Er is nood aan een daadkrachtige regering die terugeist wat haar bevolking toekomt, in plaats van vazal te blijven spelen van een Franse multinational.

  • Stijgt de elektriciteitsfactuur van de consument als we de kerncentrales sluiten?

    Een ding is zeker: energie zal in de toekomst duurder worden, zowel met als zonder kernuitstap. De elektriciteitsfactuur wordt door verschillende factoren bepaald, zoals onder meer de productiekost van de elektriciteit, de transportkosten van de stroom over het hoogspannings- en distributienet, een taks om het nucleair passief te betalen (d.i. de ontmanteling van nucleaire installaties en verwerking van kernafval), de sociale en ecologische steunmaatregelen. De kostprijs van elektriciteit op de Belgische groothandelsmarkt wordt niet bepaald door de kostprijs van kernenergie. De lage productiekost van kernenergie in de door de burgers afgeschreven kerncentrales leidt met andere woorden wel tot meer winst voor Electrabel, maar niet tot een lagere stroomprijs voor de consument.

    Sinds de vrijmaking van de Europese energiemarkt (in Vlaanderen vanaf 2003 en in Wallonië en Brussel vanaf 2007) wordt de prijs van de productiekosten op de groothandelsmarkt bepaald door de prijs in de buurlanden en vooral door de marginale productiekost. Dit is de kostprijs van de stroom die geleverd werd door de laatst aangeschakelde centrale om de piekvraag op te vangen. Per definitie is dit geen kerncentrale, want de niet-flexibele kerncentrales worden enkel ingezet voor de productie van de basislast en niet om de verbruikspieken op te vangen. Voor dit laatste worden meestal gasgestookte STEG-centrales gebruikt. Of kernenergie zoals vandaag 52 procent of zoals vanaf 2016 38 procent of zoals vanaf 2026 geen deel van ons productiepark uitmaakt, heeft geen impact op de aan de consument aangerekende kWh-prijs. Het is namelijk de gasprijs die de kWh-prijs van onze factuur bepaalt, en niet de kostprijs van kernenergie.

    Het blijft een feit dat de gezinnen in België sinds de ingebruikname van de kerncentrales halverwege de jaren 1970 steeds een van de drie hoogste kWh-prijzen van alle OESO-landen voorgeschoteld kregen. De oorzaak hiervan was dat Electrabel voor de vrijmaking van de energiemarkt de peperdure investeringen in zijn kerncentrales 20 jaar lang heeft doorgerekend in de stroomfactuur van de gebruikers. Vooraleer de markt werd vrijgemaakt was er geen onafhankelijke regulator en kon Electrabel als monopolist de stroomprijs grotendeels eigenhandig bepalen. Nadat in 2005 de kerncentrales op de kap van de comsumenten waren afgeschreven, daalde de productiekost van nucleaire elektriciteit aanzienlijk. Maar van deze daling was niets te merken in de stroomfactuur van de consument, omdat het de productiekost van de laatst aangeschakelde gascentrale is die de prijs bepaalt. De winstmarge van de kerncentrales nam dus sterk toe, maar de enige die daar beter van werd is Electrabel en niet de consument. De superwinst die Electrabel jaarlijks maakt dankzij zijn afgeschreven kerncentrales bedraagt zo'n 2 miljard euro per jaar of zo'n 142 euro voor een gezin met een gemiddeld verbruik.

    Electrabel sluist de superwinsten gewoon door naar het moederbedrijf GDF-Suez in Parijs. Eigenlijk zouden deze superwinsten ten bedrage van ongeveer 2 miljard euro per jaar via een nucleaire rente door de overheid moeten worden gerecupereerd en besteed worden aan de uitbouw van een sociaal en ecologisch energiesysteem. De groenestroomcertificaten die nu aan de producenten van groene stroom betaald worden door de distributienetbeheerders en door deze laatsten worden doorgerekend in de stroomfactuur van alle gebruikers, zouden hiermee kunnen gefinancieerd worden.

  • Wat is volgens Greenpeace het energiesysteem van de toekomst?

    Het enige systeem dat echt duurzaam is, haalt alle energie uit hernieuwbare bronnen. Onze huidige manier van energie opwekken, stelt ons voor verschillende uitdagingen: de klimaatverandering, kernafval, nucleaire incidenten, olierampen en wereldwijd een zeer ongelijke toegang tot energie.

    De oplossingen liggen nochtans binnen handbereik. Tegen 2050 kan alle energie van hernieuwbare bronnen komen. Dan moeten we wel geleidelijk afstappen van fossiele brandstoffen, waardoor we minder broeikasgassen zullen uitstoten.

    Het scenario van de Energy[R]evolution die Greenpeace samen met de European Renewable Energy Council (EREC) en het Duitse Lucht- en Ruimtevaartinstituut heeft opgesteld, toont op welke manier we kunnen overschakelen op 100 % hernieuwbare energie door ons energieverbruik te verminderen, te investeren in de verdere ontwikkeling van hernieuwbare energie en door hernieuwbare energiebronnen te integreren in een “slim” elektriciteitsnet.

  • Zal de uitbouw van hernieuwbare energiebronnen ons land niet handenvol geld kosten?

    Het Europese energienetwerk van de toekomst zal bestaan uit een combinatie van enerzijds een duurzame gecentraliseerde productiecapaciteit, zoals windturbineparken op zee, en anderzijds kleinschalige gedecentraliseerde units, zoals WKK-installaties, onshore windmolens, zonnedaken, geothermische centrales, enzovoort. Consumenten worden in dit systeem zelf vaak ook producenten. Het slimme netwerk dat al deze productiesystemen met mekaar en met de consumenten verbindt is totaal anders dan het huidige verouderde stroomnetwerk, dat via een eenrichtingsverkeer stroom vervoert vanuit de grote centrales naar de consument. De evolutie naar een nieuw energiesysteem zal zich op Europese schaal afspelen. Landen die hier te laat of niet in investeren, zullen achterop hinken en riskeren stroomonderbrekingen.

    De invoering van hernieuwbare energiebronnen en het noodzakelijke slimme netwerk zal veel geld kosten, maar het is een logische en onvermijdelijke evolutie die hoe dan ook zal plaatsvinden, met of zonder kernuitstap in België. Bovendien biedt zo'n transitie heel wat kansen om nieuwe duurzame economische sectoren uit te bouwen. Dit is precies een van de redenen waarom bondskanselier Angela Merkel beslist heeft om niet alleen de Duitse kerncentrales tegen 2022 te sluiten, maar ook om versneld in te zetten op de realisatie van een modern en slim stroomnet en de verdere ontwikkeling en invoering van hernieuwbare energiebronnen.

  • Zijn windmolenparken in zee dé oplossing?

    Windmolenparken in zee maken zeker deel uit van de oplossing. De Thorntonbank was het eerste offshore park voor de Belgische kust. Het werd gebouwd door C-Power en zal nog uitgebreid worden om tegen 2012 voldoende elektriciteit voor 600.000 personen op te wekken. Een tweede windmolenpark in zee werd opgericht door Belwind en levert vandaag stroom aan ongeveer 400.000 personen.

    Offshore windenergie is een belangrijke bron van hernieuwbare energie in onze contreien. Volgens de studie Energy[R]evolution staat deze technologie al ver genoeg om 33 procent van de Europese energieproductie in te vullen tegen 2050. Om een bijna 100 % hernieuwbaar energiesysteem te ontwikkelen tegen 2050, zijn er dus ook windmolens op het land en andere hernieuwbare energiebronnen nodig (denk bijvoorbeeld aan zon, biomassa en geothermie).

  • Is zonne-energie een goed idee in België?

    De zon is de krachtigste energiebron op aarde. Het licht van de zon dat het aardoppervlak bereikt in een dag, volstaat om de hele wereld gedurende acht jaar van energie te voorzien. België op zijn beurt krijgt jaarlijks ongeveer vijftig maal zijn energieconsumptie in de vorm van zonne-energie.

    Zonlicht kan gebruikt worden om warmte maar ook elektriciteit op te wekken. Laat ons beginnen bij het fotovoltaïsche deel, ofwel de zonnepanelen die elektriciteit opwekken. Volgens de studie Energy[R]evolution van Greenpeace en EREC kan de fotovoltaïsche omzetting van zonlicht 13 procent van de Europese elektriciteitsproductie beslaan. Dat geldt niet alleen voor landen in het Zuiden: een zonnepaneel kan ook stroom opwekken door indirect zonlicht (weliswaar minder dan bij direct zonlicht).

    Daarnaast wordt er ook thermische energie (warmte) uit de zonnestralen gehaald. Thermische zonnecentrales, zoals die bijvoorbeeld al in Spanje (Andasol) bestaan, zijn eerder interessant in landen met veel zonnige dagen. In België zijn zulke centrales dus niet rendabel.

    Zonneboilers daarentegen zorgen voor de opwarming van water uit de kraan, schoollokalen, zwembaden en zelfs voor het drogen van gewassen. De Vereniging voor de Promotie van Hernieuwbare Energie (APERE) stelt dat een correct geïnstalleerde zonneboiler kan instaan voor ongeveer 60 procent van het warmwaterverbruik van een zuinig gezin, waardoor de ketel vier tot zes maanden per jaar kan worden uitgeschakeld.

    Voor België zijn windmolenparken in zee interessanter dan grote zonnecentrales. Maar zonnepanelen en -boilers kunnen wel een deel van onze energievraag invullen.

  • Welke impact heeft een transitie naar 100% hernieuwbare energie op de economie en de werkgelegenheid?

    De Energy[R]evolution van Greenpeace en EREC becijfert dat we door 1850 miljard euro te investeren in de ontwikkeling van hernieuwbare energie 2650 miljard euro kunnen besparen op de aankoop van fossiele brandstoffen en uranium.

    Vanaf 2030 zal onze energievoorziening gegarandeerd zijn omdat we niet langer fossiele brandstoffen en uranium hoeven in te voeren. De Energy[R]evolution laat ons niet alleen toe onze uitstoot van broeikasgassen drastisch terug te dringen (met 95 procent tegen 2050!) maar heeft ook een positieve invloed op de Europese economie en werkgelegenheid. Want als Europa volledig inzet op energiebesparing en de ontwikkeling van hernieuwbare energie, zal het 1,2 miljoen nieuwe banen kunnen scheppen. Dat zijn bijna 780.000 jobs meer dan bij een ongewijzigd scenario.

    Die trend is al bezig. In Spanje en Duitsland kwamen er meer dan 300.000 banen bij in de sector van de zonne-energie. Op wereldvlak zijn er al meer dan 500.000 mensen actief in de windenergiesector.

  • Hoe vallen een gecentraliseerde en gedecentraliseerde elektriciteitsproductie te verzoenen?

    Om vraag en aanbod van elektriciteit uit gecentraliseerde hernieuwbare bronnen (bijvoorbeeld een groot windmolenpark) en gedecentraliseerde hernieuwbare bronnen (zonnepanelen op het dak van een huis of kleine biomassacentrales) te combineren, is er een slim stroomnet nodig. Zo kunnen de verschillende Europese regio's op adequate manier aan elkaar worden gelinkt. Lees meer in het rapport Battle of the Grids.

    Stel je een gemeenschap voor die via een micronetwerk haar eigen energie produceert: huizen en bedrijven met zonnepanelen, kleine installaties voor warmtekrachtkoppeling, kantoren die hun eigen energie en warmte opwekken... Als de energieconsumptie daalt (voor kantoren is dat in het weekend bijvoorbeeld) wordt het surplus op een slim stroomnet geplaatst. Wanneer de vraag het lokale aanbod overstijgt, kan de energie van hetzelfde netwerk worden afgetapt.

    Een slim elektriciteitsnet laat toe om energie op een gedecentraliseerde manier op te wekken, en niet alleen in grote kern- en steenkoolcentrales. Greenpeace toont in zijn rapport Battle of the Grids aan dat men geleidelijk het aandeel van hernieuwbare energie in Europa kan optrekken tot bijna 100%, zonder daarbij de energiebevoorrading in het gedrang te brengen. Er is alleen een aanzienlijke investering in het hoogspanningsnet nodig.

  • Zijn er geen enorme investeringen nodig in het Europese stroomnet om de massale ontwikkeling van hernieuwbare energie mogelijk te maken?

    Greenpeace bewijst in zijn rapport Battle of the Grids, opgesteld door het onderzoeksbureau EnergyNautics, dat men geleidelijk aan het aandeel van hernieuwbare energie in de totale Europese energieproductie kan optrekken tot bijna 100%, zonder daarbij de energiebevoorrading in het gedrang te brengen. Er is alleen een aanzienlijke investering in het hoogspanningsnet nodig.

    Tegen 2030 is 70 miljard euro nodig om de elektriciteitsbevoorrading 24 op 24 uur en 7 dagen op 7 te garanderen, met een energetische mix die bestaat uit 68 % hernieuwbare energiebronnen. Door nog eens 28 miljard extra te pompen in het stroomnet tegen 2030, kunnen we de het gedwongen stilleggen van hernieuwbare bronnen beperken tot 1 procent. Anders gezegd: de totale kostprijs voor het hoogspanningsnet is beperkt tot minder dan 1 procent van de elektriciteitsfactuur.

    In de periode 2030-2050 hangen de investeringen in het net af van de gekozen oplossing. Greenpeace en EnergyNautics hebben twee uiterste scenario's bestudeerd. In een scenario “Hoogspanning” voert men een deel van de elektriciteit in uit Noord-Afrika, waarvoor investeringen ten belope van 580 miljard euro nodig zijn. In een scenario “Laagspanning” wordt de hernieuwbare energie zo veel mogelijk in Europa zelf ontwikkeld, nabij de gebieden met een grote vraag. Zo kunnen de investeringen in het netwerk beperkt worden tot 74 miljard euro voor de periode 2030-2050.

  • Kunnen kernenergie en hernieuwbare niet naast elkaar bestaan?

    Momenteel worden de windturbines regelmatig stil gelegd wanneer het aanbod van elektriciteit hoog is, om voorrang te geven aan kernenergie en steenkool. Maar dat is een slechte keuze voor de planeet. We zien het bijvoorbeeld in Spanje en Duitsland gebeuren. Kernenergie en hernieuwbare energie zijn niet compatibel: we moeten kiezen voor een van de twee.

    Om de “Battle of the grids” the winnen, moeten we voorrang geven aan hernieuwbare energie op het Europese stroomnet, waarbij de landen ook onderling worden verbonden. Als de productie in een land de vraag overstijgt, kan de elektriciteit makkelijk worden uitgevoerd naar regio's waar de vraag onvoldoende kan worden ingevuld.

  • Is de Energy[R]evolution van Greenpeace geen utopie?

    Op verschillende plaatsen is de Energy[R]evolution al aan de gang. In Spanje en Duitsland bijvoorbeeld bedroeg het aandeel van hernieuwbare energie bij het elektriciteitsverbruik al tussen de 15 en 30 procent in 2010. Oostenrijk en Zweden op hun beurt hebben vooral dankzij hun waterkracht- en biomassacentrales in 2010 respectievelijk zo'n 78 en 60 procent van de verbruikte elektriciteit opgewekt met herniewbare energiebronnen.

    Op zeer lokaal vlak gaan een aantal gemeenten, steden of regio's al zeer ver. In Groot-Brittannie is er bijvoorbeeld een bekende ecologische gemeenschap: The Beddington Zero Energy Development of BedZED. In deze gemeenschap met een uiteenlopende sociale mix is de levenskwaliteit hoog terwijl de negatieve impact op het milieu klein blijft. Door een optimale isolatie verbruiken de woningen weinig energie. De zonnepanelen worden gecombineerd met andere energiebronnen voor elektriciteit en warmte. Water wordt er rationeel gebruikt, het vuilnis wordt gerecycleerd of hergebruikt en er is geïnvesteerd in een systeem van duurzame mobiliteit.

    Andere voorbeelden van “duurzame” gemeenschappen:

    - SamsØ is een volledig energie-onafhankelijk Deens eiland
    - Het stadje Beckerich in Luxemburg haalt 90 procent van zijn elektriciteit en 40 procent van zijn warmte uit hernieuwbare energiebronnen
    - De ecologische wijk Vauban in Duitsland produceert meer energie dan ze verbruikt.