Gaan we eindelijk van ‘praten’ naar ‘doen’ in de strijd tegen de klimaatcrisis? Van 24 tot 29 april vindt in Santa Marta, Colombia, de eerste internationale conferentie plaats over de transitie naar een tijdperk zonder fossiele brandstoffen. Een coalitie van meer dan 50 “bereidwillige landen” komt daar samen. Ze willen oplossingen en processen identificeren die verder gaan dan de traditionele klimaatonderhandelingen en concrete actie versnellen.

De urgentie is duidelijk. Tijdens de klimaattop in Dubai in 2023 maakten landen het doel om de opwarming van de aarde te beperken tot 1,5 °C concreter: een “ingrijpende, snelle en consistente daling van de uitstoot van broeikasgassen” en een “transitie weg van fossiele brandstoffen op een rechtvaardige, ordelijke en billijke manier, om tegen 2050 klimaatneutraliteit te bereiken”. Toch is de vooruitgang sindsdien vertraagd. Het probleem ligt niet meer bij de ambitie op papier, maar bij de uitvoering.

In de aanloop naar de conferentie in Santa Marta plaatsten activisten van Greenpeace Spanje een gigantische afbeelding van Donald Trump die olie uitbraakt op een fontein op de Plaza de Colón in Madrid, met de boodschap: No oil, no war. © Pablo Blazquez / Greenpeace

De kernvraag is dus: zal deze coalitie van “bereidwillige landen” een verschil maken?

Er zit zeker potentieel in de coalitie. Tijdens de laatste klimaattop in Brazilië vorig jaar bevestigden zowat 85 landen hun ambitie om aan de slag te gaan met de geleidelijke afbouw van fossiele brandstoffen. Onder hen grote economieën zoals Duitsland, het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Spanje, Brazilië en Mexico. Samen vertegenwoordigen ze een gezamenlijk bruto binnenlands product van 33.300 miljard dollar, hoger dan dat van de Verenigde Staten en ruimschoots hoger dan dat van China. Zo’n economisch gewicht kan financiële markten, overheidsbeleid en bedrijfsstrategieën wereldwijd beïnvloeden. Als Santa Marta leidt tot een geloofwaardige routekaart voor de uitfasering van fossiel, kan de impact groot zijn.

De geschiedenis leert ons dat coalities van bereidwillige landen kunnen helpen om uit een impasse te raken. In de jaren ‘90 startten landen, gefrustreerd door de vastgelopen onderhandelingen bij de VN, een versneld parallel proces om landmijnen te verbieden. Dat leidde tot het Verdrag van Ottawa (ondertekend door 125 landen) dat de productie, overdracht en het gebruik van landmijnen verbood. Zelfs landen die het verdrag niet ondertekenden, zoals de Verenigde Staten, hebben zich later grotendeels afgestemd op de basisprincipes ervan.

Kan België een verschil maken?

België maakt deel uit van deze coalitie – en dat is belangrijk. Als een van de eerste voorstanders van de wereldwijde routekaart als deze conferentie, heeft België zich aan de juiste kant van de transitie gepositioneerd. Federaal minister van Klimaat Jean-Luc Crucke zal ook deelnemen aan de onderhandelingen in Santa Marta.

Maar er gaapt een kloof tussen internationale positionering en nationale actie. België beschikt zelf nog steeds niet over een geloofwaardig plan om fossiele brandstoffen geleidelijk af te bouwen. Het huidige energiebeleid is ontoereikend, het gasverbruik is minder gedaald dan in veel andere Europese landen, en hernieuwbare energie vertegenwoordigt minder dan 15% van onze energiemix – daarmee zijn we na Malta de slechtste leerling van de klas, ver achter landen zoals Zweden (66%), Finland (48%) en Denemarken (42%).

Als België echt een voortrekkersrol wil spelen op het internationale toneel, moet het ook hier bij ons de daad bij het woord voegen. Een rechtvaardige en billijke uitfasering van fossiele brandstoffen vereist een duidelijk en concreet nationaal plan. Bij Greenpeace identificeerden we al 27 maatregelen die de afhankelijkheid van olie en gas snel kunnen verminderen.

De uitkomst in Santa Marta zal uitwijzen of landen bereid zijn om woorden om te zetten in daden. Voor België is de boodschap eenvoudig: geloofwaardigheid in het buitenland begint met actie in eigen land.